De dag is aangebroken waar we al maanden met veel verlangen naar uitkijken. Sommigen vinden het eng, maar in de lucht hangt toch overduidelijk een gevoel van spanning en nieuwsgierigheid. Met onze witte jassen aan en huiswerk in de hand zijn we er klaar voor. De snijzaal.
Het eerste dat duidelijk opvalt, is de behoorlijk lage temperatuur in de zaal waar we schoorvoetend naar binnen lopen. Het tweede dat opvalt zijn twee glimmende roestvaststalen tafels met op elk een witte zak in de vorm van een lichaam. “O… daar liggen ze al” zoemt het voorzichtig. Onze begeleider trekt een soort stoffen schort aan met een elan waaruit blijkt dat het voor hem de normaalste zaak van de wereld is en dat geeft ons het vertrouwen dat het allemaal wel goed gaat komen.
Voordat het echte werk begint krijgen we een verhelderende presentatie over de afdeling anatomie en ons practicum. Allereerst worden een paar rondzoemende geruchten ontkracht. Er zijn geen zwembaden vol met stoffelijke overschotten onder het gebouw. Er worden geen lichamen van chinezen gekocht voor ons onderwijs en het zijn geen veroordeelde criminelen. Het zijn mensen die tijdens hun leven de mooie beslissing hebben genomen om hun lichaam na hun dood na te laten aan de afdeling anatomie van ons ziekenhuis. Iets waarvoor wij door de manier waarop we met deze lichamen omgaan ons respect en onze dankbaarheid kunnen tonen.
We worden uitgenodigd om dichter naar één van de tafels toe te komen. Langzaam wordt de witte plastic zak en de daaronder liggende blauwe handdoek van de voeten van het lichaam gehaald. Er komen twee gele dunne voeten tevoorschijn. De benen, de buik, de romp en uiteindelijk het hoofd worden ontbloot en het ziet er allemaal veel minder eng uit dan we hadden gedacht. Zelfs een beetje ‘onecht.’ De kleur klopt niet, alle haren zijn verwijderd van het lichaam, maar hier ligt toch echt een overleden oude dame.
Ik kijk naar haar handen. Ze heeft dunne vingers met lange nagels. Echte oma handen. Handen die een halve eeuw geleden hebben leren schrijven…. misschien nog wel met een lei en een griffel. Handen die de hand van haar geliefde hebben vastgehouden toen ze ging trouwen. Handen waarmee zij haar eerste kindje in slaap heeft gewiegd. Handen die een roos op het graf van haar overleden man hebben gelegd en handen die vastgehouden werden toen zij zelf het tijdelijke voor het eeuwige verruilde. Wat een eer dat wij haar handen mogen gebruiken om goeie dokters te worden.
Haar lichaam is reeds voorgeprepareerd en de huid van de thorax en haar ribben worden opengeklapt als ware zij een boek. Leergierige ogen graaien de organen bij elkaar. Latijnse namen vliegen in de rondte. We zien de hepar (lever), de gaster (maag), de dunne en de dikke darm, respectievelijk het intestinum tenue en het intestinum crassum, meestal aangeduid met ‘colon’, de longen, maar ook haar hart.
De opdrachten in onze handleiding worden gretig uitgezocht. Een röntgenfoto laat de bifurcatio aortae zien, de afsplitsing van de aorta naar beide benen, en de vraag is of deze foto van voren of van achteren genomen is. Ik heb geen idee, maar een collega komt met de geniale opmerking dat de linkernier die op de foto te zien is altijd hoger ligt dan de rechter. Ik kijk naar het lichaam waar we voor staan, leg de dunne darm even opzij en zie wat hij bedoelt. Dat vergeet ik ook nooit meer.
Na afloop van het practicum worden wij verzocht de lichamen netjes toe te dekken met blauwe handdoek en witte plastic zak. Zonder twijfel helpt iedereen met het zorgvuldig instoppen van de lichamen. Het zit duidelijk wel goed met ons respect.
