89

Het was een redelijk moeizame prikronde. De laatste patiente was heel lastig te prikken en er was een enorme drukte op de afdeling. Het was zo druk, dat toen wij iets wilde vragen over de patiente en op het “Verpleging” knopje bij het bed drukte we tien minuten vergeefs hebben gewacht op de verpleging. Dan hoop je toch dat er niet iets gebeurt dat acuut aandacht nodig heeft.

We brengen het bloed naar het lab, vullen onze kar bij en wassen onze handen. Op het moment dat ik mijn handtekening wil zetten om aan te geven dat we klaar zijn, zie ik een geel briefje met de opmerking “Onze vaste naprikmedewerkers zijn ziek, zou jij het voor je rekening willen nemen samen met een collega?” Ik schrijf er onder dat ik eerst even een boterhammetje ga eten, het zou voor de afwisseling misschien interessant zijn, maar waarschijnlijk toch vervelend als de bloedafnemer flauw valt tijdens het prikken.

Bij terugkomst blijken er 7 opdrachten te zijn en de collega met wie ik zou samenwerken is reeds vertrokken. Of ik het alleen zou willen doen. “Als het niet lukt kan je het altijd aan de arts overlaten” krijg ik bemoedigend toegestopt. “Ja hoor, geen probleem” hoor ik mezelf zeggen en ben al onderweg naar de prikkoffers die speciaal voor de naprik gemaakt zijn.

De eerste prikopdracht meldt met pen geschreven dat twee van mijn collega’s het beide al twee keer geprobeerd hebben zonder bloed te hebben kunnen afnemen. “Hoe ga ik dat in hemelsnaam voor elkaar krijgen?” denk ik bij mezelf. Als ik naar de geboortedatum kijk blijkt die ook nog eens vlak na de eerste wereldoorlog te zijn. Bemoedigende woorden van mijn ervaren collega’s komen bovendrijven. “Gewoon de tijd nemen, vooral niet haasten” en “Soms lukt het gewoon niet, dat heeft iedereen wel eens” geven mij genoeg moed om de grote deur open te duwen naar de kamer.

Als ik de oude vrouw zie die in een stoel naast haar bed zit vraag ik mij af of ik de juiste patiente heb. De vrouw kan mij niet horen als ik haar groet en om haar geboortedatum vraag. Ik herhaal mijn vraag een stuk harder en plaats mijzelf duidelijk in haar blikveld. Langzaam spreekt zij de datum die op de prikopdracht staat uit. Met “Ja, ik ben al 89” dikt ze
de ernst van de zaak flink aan.

Een klein beetje beschaamd dat ik deze dame voor de vijfde keer moet prikken vandaag vraag ik haar of ik even naar haar armen mag kijken. Ze twijfelt geen moment en ik ontwaar zelfs een glimlach op haar gezicht. Dat scheelt, ze vindt het niet zo heel erg.

“Het is zulk mooi weer” spreekt ze langzaam uit als ze uit het raam van de hoge verdieping van haar kamer naar buiten kijkt. “Maar het is buiten heel erg koud” weet ze te melden. Ik vertel haar dat ik de avond ervoor nog een stuk door de stad heb gefietst en dat het echt heel erg koud was. Ze kijkt me begripvol aan en ik bewonder de helderheid die uit haar ogen naar buiten straalt. Als je met 89 jaar nog de schoonheid kan inzien van de zon terwijl je in het ziekenhuis bent opgenomen dan heb je volgens mij erg goed opgelet tijdens je leven.

Ik begrijp waarom mijn collega’s moeite hebben gehad met prikken. Kleine aderen die ver weggestopt zijn, maar tot mijn verbazing nog redelijk zacht. Alsof ze mijn gedachten kan lezen zegt de oude dame “Ik heb mijn hele leven gezond geleefd, maar ik ben nu bang om te lopen, want als ik val kan ik een heup breken.” Met zo veel mogelijk bewondering in mijn blik zeg ik dat haar aderen nog heel erg jong aanvoelen.

Inmiddels heb ik een steuntje gebouwd van handdoekjes om het deze vrouw zo makkelijk mogelijk te maken en haar arm ligt mooi gestrekt voor mij, ze biedt zelfs aan een vuist te maken wat nog heel goed lukt. Na beide armen goed onderzocht te hebben besluit ik de iets zachtere ader in de linkerarm aan te prikken en dat was gelukkig een goede keuze. De buisjes vullen zich niet heel snel, maar voor een vrouw van deze leeftijd neem ik de tijd. “Het is gelukt, ze zijn alle drie vol mevrouw” vertel ik haar met toch wel lichte trots. De vrouw heeft haar blik al weer op haar uitzicht gericht als ik haar het beste wens.

Als ik de kamer verlaat en de verpleging en artsen druk over de afdeling zie lopen vraag ik mij af waarom het er ineens zo anders uitziet dan toen ik aankwam. Ik denk dat ik door heb wat er is gebeurd. De tijd heeft heel eventjes stil gestaan.

MS

Ik hoor een hoop gelach als ik de kamer nader waar mijn volgende patiënt moet liggen. Een vrolijke man zit in een stoel en er staan twee verpleegkundigen tegenover hem. “Nou mijnheer, we moeten even beslissen of u eerst naar het toilet wilt of eerst douchen.” “Ja, dat wil ik wel, maar dat gaat moeilijk hoor, want ik heb MS.” De man lacht en ik verbaas mij licht over de vrolijkheid die hij ten toon spreidt.

De man kijkt mij vriendelijk aan als ik aankondig wat bloed bij hem af te willen nemen. “Ow, nou dat kan er ook nog wel bij hoor.. ha ha….” Het doet mij goed te zien dat deze man zijn vreselijke ziekte met humor kan relativeren.

Terwijl ik mijn spulletjes klaarleg kijken de twee verpleegkundigen bezorgd naar de voet van de man die er behoorlijk donkerblauw uitziet. “Was zijn voet gisteren ook al zo blauw?” vraagt de ene verpleegkundige aan de andere. “Nou, zo blauw was ie volgens mij niet hoor.” “Mijnheer, waarom is uw voet zo blauw?” “Nou, misschien had ie niet zo’n zin om rood te zijn vandaag ha ha.” Ik kan er wel om lachen, maar de verpleegkundigen zijn volgens mij niet zo blij met de adremheid van hun patiënt.

Het prikken gaat wat lastig omdat de man niet heel goed stil kan zitten. Hij verontschuldigd zich voor zijn bewegingen en dat raakt mij best wel, want hij kan er natuurlijk helemaal niets aan doen. “Nou mijnheer, ik snap ook wel dat u er zelf niet voor gekozen heeft, dus als u het niet erg vindt als ik uw arm even stil hou is het geen enkel probleem hoor.”

De man blijft lachen als ik mijn naaldje in zijn arm prik. Tot mijn verbazing komt er geen druppel bloed in mijn buisje. Balen zeg, deze man heeft het al zo moeilijk…..

“Nou, dan probeer je die andere arm toch gewoon, ik heb er twee hoor ha ha!” Jeetje, als alle patiënten eens zo relaxt waren, dan zou het werk een stuk prettiger zijn. De verpleegkundigen kijken toe hoe ik de mouw van zijn rechterarm opstroop. Zijn aderen zijn behoorlijk dik en liggen niet heel diep. Terwijl ik een ader op zijn rechterarm betast vraag ik mij nog af waarom het niet gelukt is in de andere arm.

Het bloed afnemen uit zijn rechterarm gaat feilloos en hoewel de man wat druk is ben ik blij met zijn opgewektheid. “Mag ik u vragen wat u voor werk doet mijnheer?” “Ik was leraar op een middelbare school” antwoordt de man. Ik doe een gok en vraag hem “Bent u geschiedenisleraar?” Als de man zegt: “Ja, dat klopt” vermoed ik dat hij mij in de maling zit te nemen, maar mijn verbaasde “Echt?” beantwoordt hij met “Ja, ik gaf geschiedenis.”

Inmiddels al weer klaar met bloedafnemen bedenk ik mij dat deze man waarschijnlijk honderden kinderen verteld heeft over de tweede wereldoorlog, over de Kelten en de Batavieren, over de Eufraat en de Tigris en dat hij nu in een rolstoel met een veel te blauwe voet met de verpleging moet overleggen of hij eerst naar het toilet geholpen gaat worden of eerst wil douchen. Ik word er een klein beetje droevig van, maar deze man niet. Hij blijft lachen en grapjes maken. Misschien wel de enige manier om met zo’n belachelijke ziekte om te gaan.

Inmiddels zijn de onderhandelingen tussen de man en de verpleegkundigen al weer in volle gang. Ik zie een man met een vreselijke ziekte die het allemaal heel positief bekijkt en twee verpleegkundigen die onder enorme tijdsdruk hun geduld beginnen te verliezen omdat er nog zo veel andere patiënten geholpen moeten worden. Feilloos wordt hier voor mij het resultaat van ‘de bezuinigingen in de gezondheidszorg’ geïllustreerd.

Met heel veel begrip zal ik de volgende verpleegkundigenstaking op televisie bekijken. Wat zou het goed zijn om politici die beslissen over de zorgbudgetten eens een paar maanden mee te laten lopen met deze goedbedoelende verpleegkundigen. Dan zullen ze misschien eindelijk begrijpen dat er ook grenzen zijn van het geduld van mensen die het beste voor hebben met hun zieke medemens.

Acrobaat

Een jonge man stapt kordaat mijn prikhokje binnen. Hij zegt zijn voornaam en geeft mij een stevige hand. Normaal gesproken geven we geen handen op de bloedafnamepoli, maar als het voor de patiënt mogelijk een psychische barrière doorbreekt heb ik een keertje extra mijn handen wassen er wel voor over. De blik van deze jongen is zo vriendelijk dat ik de automatische reactie om zijn hand te beantwoorden waarschijnlijk niet eens had kunnen tegenhouden.

Zijn licht zenuwachtige houding verraad zijn gevoel al voordat hij zegt: “Het is natuurlijk psychisch, maar ik heb het niet zo op naalden.” Naar waarheid kan ik hem zeggen dat ik er net zo over denk en dat het helemaal niet vreemd is dat hij niet staat te springen om zijn bloed af te laten nemen.

Zijn onderarmen zijn flink gespierd en zijn aderen liggen er als dikke blauwe kabels bovenop. “Ik denk niet dat het heel moeilijk gaat worden hoor….” zeg ik als ik het lijnenspel op zijn onderarmen aanschouw. Pro forma leg ik mijn stuwband om zijn bovenarm, maar het is nauwelijks nodig.

“Ben je soms drummer of bergbeklimmer” vraag ik hem als ik de spieren zie opzwellen op het moment dat hij een vuist maakt. “Hoezo?” vraagt hij. Met “Drummers en bergbeklimmers hebben altijd van die enorme onderarmen doordat ze hun vingers zo veel gebruiken” verklaar ik mijn vraag. “Nee, ik ben theatermaker” is zijn antwoord. Misschien heb je wel eens van ons gehoord. We maken theater met acrobatiek en muziek. De naam van de groep die hij noemt komt me bekend voor, maar ik kan me niet herinneren dat ik hun show gezien heb.

Met “Zijn het dikke naalden die je gebruikt?” brengt hij mij terug in de realiteit. “We gebruiken over het algemeen twee soorten naalden, deze groene en deze……” Ik zie dat mijn doosje met zwarte naalden leeg is. “Momentje, ik ga even een doosje dunnere naalden voor je halen.”

Met een doos nieuwe zwarte naalden leg ik uit dat deze iets dunner zijn dan de groene. De groene naalden zijn nul komma acht millimeter dik en de zwarte een tiende millimeter dunner. “Ga ik het verschil voelen?” vraagt hij mij en ik moet naar waarheid antwoorden dat ik geen idee heb, maar dat als het psychisch voor hem werkt ik met alle liefde een zwarte naald gebruik in plaats van een groene. “Het gaat ietsje langer duren omdat het bloed wat minder snel door de dunnere naald stroomt.”

Terwijl hij de plaatjes op de muur van het prikhokje bestudeert vul ik de buisjes met gemak. Ondertussen vertelt hij de reden voor de bloedafname. Het is een indrukwekkend verhaal en ik besef mij weer hoe rijk ik mij moet prijzen met mijn gezondheid en hoop van harte dat deze vriendelijke jonge man maar snel mag genezen.

Net als ik klaar ben steekt een collega haar vrolijke gezicht om het hoekje en vraagt hoe het gaat. “We hebben een beroemdheid op de poli” zeg ik haar en zonder twijfel wordt een telefoon opgetrommeld die foto’s kan maken.

Een klein beetje beschaamd vraag ik de jonge man of hij het niet vervelend vindt dat we met hem op de foto willen. Heel overtuigend laat hij merken dat het geen enkel probleem voor hem is en komt naast me staan om te poseren. Ach, hij zal na een optreden ook wel met Jan en alleman op de foto moeten, “Dan kunnen deze twee wannabe vampiertjes er ook nog wel bij” zal hij waarschijnlijk denken.

We praten nog een beetje na met z’n drieën en de sfeer is zo leuk dat het me niet zou hebben verbaasd als er een vierde collega met een paar biertjes bij zou komen staan. Helaas zit dat er niet in vandaag en onze acrobaat verlaat met een brede glimlach de poli.

Mijn collega en ik spreken af dat we ’s avonds gelijk op Internet gaan kijken waar zijn theatergroep speelt. Dat zou misschien nog best wel een leuk poli-uitje kunnen worden! We houden het in gedachten en als we een prikbord (pun intended) gaan maken met alle beroemdheden die we hebben ‘geholpen’ op de poli dan gaan deze foto’s zeker niet ontbreken. Hopelijk wordt hij snel weer beter en kunnen we weer volop van zijn theatertalent genieten!

British

Met een zeldzaam mooi Engels accent word ik verwelkomd met de woorden “You’re going to hurt me, are you?” In Amsterdam wordt wel eens gezegd bij een glas geweldig lekkere wijn: “Alsof er een engeltje over je tong piest.” Ik krijg het gevoel dat een engeltje over mijn trommelvlies aait als ik zo’n fijn Engels accent hoor.

“It’s definitely not my intention to hurt you, but your doctor has requested me to draw a little blood, which unfortunately we cannot do without a needle.” “But I will make sure that the whole procedure will be as painless as possible.” Mijn woorden geven haar vertrouwen, want ze legt haar linkerarm al open voor ik bij het bed ben. Wel krijg ik nog even de waarschuwing mee: “It’s very difficult they say, they had to stick me six times the last time they wanted to draw blood.”
“Well, that five too many isn’t it? Let’s have a look and see if we can do it on the first try….”

Haar rechterarm zit in een soort brace. “You hurt your arm, did you?”
“I was burned…… My house was on fire and I was in the top of the building, I have been unconscious for two weeks and woke up in the hospital.”
“Goodness me…. it’s only your arm, is it?”
“Yes, fortunately, a few spots here and there, but my arm is the worst.”
“Does it hurt a lot?”
“It does hurt, but it’s bearable.”

Intussen speur ik haar arm af voor een vaatje, maar het is dun gezaaid. Aan de buitenkant van haar linkerarm zit een klein vaatje, maar het is wel mooi zacht, dus ik denk dat ik daar wel wat uit kan peuteren.

“Life is full of surprises….. Two years ago I lost my husband, we have lived in that house for 26 years and now it’s all gone….” Met oprechte medeleven in mijn ogen kijk ik haar aan. “That’s awful….., that’s too much bad luck in too little time isn’t it?” De vrouw kijkt me aan met een trieste blik. “You are so kind….. that’s very nice if you want to cry….” Ze legt haar hand op de mijne. Niet op een jongen meisje manier, maar op een moeder zoon manier en op dit moment is dat helemaal prima. Haar ogen worden vochtig en ze kijkt een beetje beschaamd. “Owwww, that’s alright, after what you’ve been through you definitely earned the right to shed a few tears.” Een dankbare glimlach komt mijn kant op. Man verloren, huis afgebrand, wakker worden in een ziekenhuis met brandwonden en maar hopen dat je nog terug kan in je huis als je wordt ontslagen. Heftig… to say the least.

Intussen heb ik het halve millimeter dikke vaatje aangeprikt met m’n blauwe vleugelnaaldje en we kijken allebei opgelucht naar het slangetje dat zich snel met bloed vult. “That’s going well, is it?”

“Definitely, but let’s celebrate after all the tubes have been filled… you never know.” Vier ogen kijken geconcentreerd het bloed de buisjes in. Ze zijn vol. Kunstwerkje…. al zeg ik het zelf.

“Will they rebuild your house, or will you move somewhere else?”
“I’m not sure, I’ve heard they will sell the house instead of renovating it…. I’m afraid they’re going to put me in an old people home…” Ik check nog even haar geboortedatum. “But you’re not even sixty yet, that’s way too young to play silly card games and join a bingo every Friday afternoon, don’t you think?” Voor het eerst sinds onze ontmoeting lacht de vrouw hardop. Hoe ze het voor elkaar krijgt weet ik niet, maar zelfs haar lach heeft een Engels accent. “No, you’re right, I sure hope they’ll find me a new home.” “I have been thinking of going back to England, you know.” “But I rarely go there anymore because I’m afraid to fly.”
“Really? It’s not much more than a fourty minutes bus ride through the sky, isn’t it?”
“That’s true… it’s not that I’m afraid of falling out of the sky… it just that there’s nothing to hold on to when the plane crashed down…” “And the bus through the tunnel takes hours…” “I did plan to travel by plane a while ago… bought the tickets and all, but five minutes before the plane left I became very ill and I couldn’t get on board.” “Ironic, isn’t it.”

“Well, I certainly hope they will be able to rebuild your house and we are in Amsterdam after all, so you will probably be put first in line for a new house.” “After so much bad luck you are entitled to get a nice new place, don’t you think?” Ze is het met me eens. Met een “Bye love” groet ze mij zo Engels als mogelijk is. Ik besluit dat “Bye darling” op z’n plaats is en dat wordt gewaardeerd.

Flirt

Inmiddels zie ik al of iemand zenuwachtig is op het moment dat de eerste stap in m’n prikkabine gezet is. Ze is zenuwachtig. Haar vriend helpt niet erg door grapjes te maken om zijn eigen zenuwen niet te hoeven tonen. “Nou, gebruik je dikste naald maar hoor ha ha” is de reden dat de woorden “lompe boer” in mijn gedachten naar boven komen drijven. In tegenstelling tot het bange meisje. Zij heeft duidelijk haar afkomst in Zuid Amerika en geeft haar gevoel alle ruimte. “Ik vind het echt doodeng dit…..” is alles wat ze zegt, maar haar lichaamstaal geeft in alle toonsoorten aan dat ze er echt geen zin in heeft. Armen gekruist voor zich, hoofd van mij afgewend, benen strak tegen elkaar geklemd, terwijl haar vriend haar bemoedigend toespreekt met de subtiele woorden “Bange schijtert, het is maar een prikje.” Het refrein van het liedje getiteld “Lul” van “Geen familie” begint in mijn hoofd te spelen. Niks van aantrekken, even een beetje gerust proberen te stellen.

“Joh, nou, dan doen we het toch gewoon niet…..” wordt beantwoord met een heel verbaasde blik. Die optie was nog niet bij haar opgekomen. “Ik gooi dit briefje weg, je staat op en je gaat lekker naar huis, is dat wat?” Ze kijkt nog heel even verbaasd, maar dan keert de ernst terug in haar ogen. “Dit moet even hoor, het is erg belangrijk, kijk maar.” Ze wijst naar de letters “IVF” op het blaadje dat ze me gegeven heeft. “Ja, ik snap het” zeg ik met mijn lippen strak op elkaar geklemd en serieus knikkend. “Maar eh… wat vind je eigenlijk eng?” “Is het het prikje, of het kleine beetje bloed dat we in een buisje stoppen, of vind je witte jassen eng? Want dat is makkelijk op te lossen hoor!” Er kan een klein glimlachje af en ik zie dat ze haar armen voorzichtig uit elkaar haalt en met haar ellebogen op de leuning begint te steunen. “Een goed begin” denk ik bij mezelf.

“Nou, weet je wat, we gaan gewoon eerst even kijken wat er precies moet gebeuren en dan zien we wel of we gaan prikken of niet.” Ze zakt iets verder onderuit en leunt nu met haar volle onderarmen op de leuningen van de prikstoel. “We komen er wel….”

Als ik alle formulieren bekijk zie ik dat er een aanvraag voor het transfusielab bij zit, maar op de stickervelletjes niet de bijbehorende buisjes staan vernoemd. Gelukkig komt er net een collega langs die al heel lang op de poli werkt en ik vraag het haar. “Ja, dat zijn ze vergeten, wacht maar even, ik loop wel even naar voren.” “Ha ha, ze moeten nog tien buisjes extra hebben” zegt de lomperik die onderuit gezakt op het krukje in de prikkabine zit. Ineens begrijp ik waarom ze voor IVF heeft gekozen. Wat een….. Ah, daar is mijn collega weer.

“Nou, er moeten twee buisjes bij hoor.” “Ach joh, daar merk je niks van, een buisje meer of minder maakt niet uit, want ik prik toch maar één keer.” Ik pak mijn stuwband en begin op de linkeronderarm van de jonge dame te voelen naar een adertje. Hij ligt een beetje diep, maar is niet zo heel dun, dus ik denk dat het met een beetje mazzel wel moet lukken. Ineens buigt het meisje zich naar voren en fluistert: “Ik vind dat je zulke mooie ogen hebt.” Haar vriend is nog druk aan het praten met mijn collega en heeft het niet gehoord. Ik kijk op van haar arm en kijk recht in twee prachtige reebruine Zuid Amerikaanse ogen. “Ik vind jouw ogen ook heel mooi, maar eh…” zeg ik terwijl ik mijn hoofd een beetje naar voren kantel en onder mijn wenkbrauwen naar haar vriend kijk die niets in de gaten heeft. Ze glimlacht, ik krijg een knipoog en ze leunt weer terug in de stoel. Ik kan me heel even geen moment herinneren dat ik het belangrijker vond dan nu om raak te prikken.

Het groene vleugelnaaldje vindt zijn weg feilloos en terwijl het meisje de andere kant op kijkt vullen de buisjes zich met gemak. Manlief babbelt nog steeds vrolijk met mijn collega en ik denk bij mezelf “Je kunt toch op z’n minst even haar hand vasthouden…. Lul…..” “Zooooow, de laatste al weer, watje er op en het is gepiept. Goed gedaan joh!” Ik heb zelden iemand zo opgelucht zien kijken. “Zo, ben je leeg?” wordt door ons beide even professioneel genegeerd. Ik haal een bekertje limonade voor de dappere meid en dat wordt gewaardeerd. “O? En ik dan?” negeren we opnieuw. Als ze de prikkabine verlaat kijkt ze nog een keer terug en haar knipoog beantwoord ik maar even met een glimlach en een knikje. IVF… Je kunt natuurlijk ook gewoon een vriendje *met* ballen zoeken.

Houdgreep

We zijn met een fijn team aan het werk op de afdeling interne geneeskunde als mijn collega vraagt of ik even wil kijken naar één van de patiënten op het stapeltje prikopdrachten. Een andere collega meldt al dat het een klus gaat worden, want “gisteren had ik die ook en het was niet te doen.” “Laten we samen even gaan kijken dan, het klinkt alsof dat wel nodig gaat zijn”

Er ligt een enorme dame in een groot warmtebed. Hoe het bed precies warm gehouden wordt is niet helemaal duidelijk, maar het is bloedheet in de kamer. De dame in kwestie reageert totaal niet als we aankondigen dat we wat bloed komen afnemen. Er zit wat slijm op haar mond en ze sputtert met iedere ademhaling. Echt heel fris ziet het er niet uit, maar ja, dat heb je in een ziekenhuis. We kijken elkaar aan met een blik van “Wat moeten we hier nou weer mee.” Maar ik heb het gevoel dat we er allebei de humor wel van in kunnen zien en het is op z’n minst een goeie uitdaging.

Onder het laken komt een enorme arm tevoorschijn. Zo groot dat het hopeloos lijkt om daar een adertje in te vinden, maar de schijn kan altijd bedriegen. In negatieve, maar ook in positieve zin, dus gewoon maar even kijken.

Het kost wat moeite om de arm te strekken. Mevrouw heeft onbewust niet zo’n zin om mee te werken. En ik kan hoor ook eigenlijk helemaal geen ongelijk geven. Een arm strekken die niet mee wil werken blijkt met een beheerste constante kracht vaak toch wel te gaan en zo ook deze keer.

De stuwband is net lang genoeg om om de gigantische bovenarm te passen en ik krijg bijna medelijden met het arme ding. Even flink poetsen met alcohol en voelen maar….. Helemaal niks…. Binnenkant elleboog… niks… haar hand is ook groot en dik en de huid voelt aan als leer. Er ligt een vaatje op, maar die is heel erg dun en we zullen veel kracht moeten zetten om door haar huid heen te komen met het risico dat de ader daardoor wegrolt.

Na een paar minuutjes voelen van ons beide ontdekken we een ader die behoorlijk diep ligt aan de zijkant van haar onderarm, maar zo te voelen wel redelijk zacht is.

Mijn collega heeft in no-time een vleugelnaaldje tevoorschijn getoverd. Omdat onze andere collega al zei dat ze bij het prikken waarschijnlijk haar arm gaat terug trekken spreken we af dat ik haar arm in een houdgreep neem en het prikken doe, zodat mijn collega de buisjes kan wisselen als ik raak prik.

Onder haar elleboog hebben we handdoekjes gelegd zodat die in elk geval niet meer verder kan strekken. Haar pols hou ik gebogen en klem haar hand vast tussen mijn rechter elleboog en mijn buik om wegtrekken tegen te gaan. Met mijn onderarm druk ik op die van de vrouw zodat ze de arm niet kan buigen. Het lijkt meer op Jiu Jitsu dan op bloedprikken, maar dat is even nodig nu.

Ik voel nog een paar keer en met een welgemikte prik verdwijnt op een klein stukje na de naald in haar arm. De vrouw probeert haar arm terug te trekken, maar ik kan hem gelukkig tegenhouden. Tot onze blijdschap schiet er wat bloed in het naaldje en in rap tempo wisselt mijn collega de buisjes die zich goed vullen. Niet bewegen… niet bewegen… niet bewegen… Als het laatste buisje gevuld is slaken we allebei een zucht van verlichting. Wat een operatie zeg……

Blij met ons succes lopen we terug naar ons prikkarretje. Onderweg kijkt een arts ons bijna smekend aan en vraagt: “En? Is het gelukt?” “Ja hoor, we hebben het voor elkaar.” “O, echt? O, dat is fantastisch zeg…” Blijkbaar hebben ze eerder moeite gehad met deze dame.

Bij onze kar zegt mijn collega “Hebben we eigenlijk wel haar geboortedatum gecontroleerd? Ze kon natuurlijk helemaal niks zeggen” “Ow, nee, goed dat je er aan denkt.” We vragen het even aan de arts die lachend zegt: “Nouw, we hebben er maar eentje die er zo bij ligt hoor, da’s echt de vrouw op jullie opdracht. Fijn dat het gelukt is trouwens.” “Zo, die is echt blij dat ze zelf niet hoeft te worstelen met die enorme vrouw!”

Zo vroeg in de ochtend hebben we al weer een leuk avontuur achter de rug als we snel naar de volgende afdeling lopen waar onze collega’s al naar toe zijn met de prikkarretjes. 1-0 voor de eredivisie vampiertjes.

Zuid Amerikaans

Ze kijkt me aan met een blik die zegt: “Dat mééééééén je niet, ga jij mij prikken?” als ze in de opening van mijn prikkabine blijft staan. “Joh, wat kijk je verbaasd” zeg ik om het ijs even te breken, want waarschijnlijk moet ze bij de kinderprik zijn en is ze per ongeluk iets te vroeg afgeslagen. Als ze mij haar prikopdracht geeft zie ik aan haar geboortedatum dat ik er minstens acht jaar naast zit, want iedereen boven de zestien wordt als volwassene geprikt. Ik heb echt geen idee waarom ze me zo verbaasd aankijkt, dus ik vraag haar of ze wil gaan zitten en haar geboortedatum wil bevestigen. De datum klopt en de prachtige Spaanse achternaam met haar uiterlijk verraad dat ze waarschijnlijk uit Zuid Amerika komt.

“Kom je uit Zuid Amerika?” vraag ik haar en ze antwoordt met “Ik vind het echt heel eng dit.” Als ik haar een klein beetje verbaasd aankijk zegt ze er snel de naam van het land achteraan waar ze oorspronkelijk vandaan komt. Het is inderdaad Zuid Amerika.

“Kan je dit wel goed?” vraagt ze terwijl ze haar mouwen met gekruiste armen stevig naar beneden vasthoudt. “Ja hoor, ik ben hier heel erg goed in” hoor ik mezelf tot mijn verbazing zeggen. Normaal zou ik zeggen dat ik daar niet over kan oordelen en dat ze dat aan mijn collega’s moet vragen die mij wel eens hebben zien prikken, maar mijn gevoel zegt dat ik haar angst beter wegneem door super zelfverzekerd over te komen.

Als ik haar help de mouw van haar linkerarm op te stropen zie ik een enorme ader op haar onderarm liggen. “Wow, moet je kijken joh, die kan ik met mijn ogen dicht en mijn handen op mijn rug nog raak prikken” bluf ik een beetje. Het helpt, want ze strekt haar arm, maakt een vuist en kijkt over haar schouder van mij af om maar zeker te zijn dat ze niets gaat zien van het prikken.

Als ik het beschermkapje van mijn naaldje afhaal en voor de laatste keer haar ader voel zegt ze “Nee, niet doen, nee niet doen, nee niet doen…..” Ze houdt haar arm gestrekt met een flinke vuist en ik besef dat als ze het echt niet wil ze gewoon kan opstaan en weglopen, dus ik zeg dwars door haar heen “Komt het prikje” en zit precies in het midden van haar ader. Het eerste buisje vult zich met een dikke straal als ik zeg: “Nou doet het geen pijn meer toch?” Met enige tegenzin geeft ze toe dat ze nu geen pijn meer heeft.

“Zo, dat was de laatste al weer….” wordt beantwoord met een angstig gezicht die naadloos overgaat in een blik van verbazing als ik de naald uit haar arm haal. “Ow, dat deed niet zo’n zeer als ik gedacht had” zegt ze. “Tuurlijk niet joh, ik zei toch dat ik het hartstikke goed kan.” Ik kan mijn lachen maar met moeite bedwingen.

Terwijl ik het kussentje stevig aangedrukt hou op haar onderarm lees ik zo Spaans mogelijk haar achternaam op en zeg dat ik jaloers ben op zo’n exotische naam. Ze kijkt trots en voor het eerst sinds onze ontmoeting is het ijs een beetje gebroken als ze ook mijn naam vraagt. Ze was gewoon hartstikke bang en is nu stiekem toch wel blij dat het zo goed gegaan is.

Als ik onder het kussentje gluur zie ik dat mijn kleine gaatje al weer is opgevuld met bloedplaatjes en ik plak het stevig vast met een stuk tape. Het uiteinde vouw ik eventjes om zodat het er straks makkelijk af te halen is.

“En? Zeg eens eerlijk, viel het mee of tegen achteraf gezien?” Ik zie haar twijfelen of ze de waarheid moet spreken. Ze doet het. “Eigenlijk viel het wel mee.” En met “maar die prik blijft vervelend hoor” geeft ze nog wel even mee dat haar initiële twijfel niet ongegrond was.

Ze staat op en pakt haar jas. Als ze haar jas aanheeft kijkt ze me recht aan en ik zie dat ze ergens over twijfelt. Ze heeft prachtige zwarte ogen en mooi lang krullend haar. Nu het prikken achter de rug is staat er geen zenuwachtig kindje meer. Hier staat een vrouw die trots is op zichzelf dat ze het doorstaan heeft. “Nou, OK doei hè” hoor ik haar zeggen en ze is in een flits verdwenen. Mijn rechterhand drukt al weer op de “Next” knop en ik moet gauw de buisjes stickeren, want ik kan de voetstappen van de volgende patiënt al weer horen.

Stoned

Het blijft gelukkig superspannend. Een druk op het “next” knopje en er kan van alles je prikkabine binnenwandelen. Een oude man in een rolstoel, een jonge vrouw met een kind, een bodybuilder of een student.

Ik hou mijn oren vol spanning gespitst. Hoor ik mensen praten? Dan komt iemand onder begeleiding. Hoor ik een langzame sloffende tred, dan is het een bejaarde waar ik even de tijd voor moet nemen.

Deze keer is het onmiskenbaar het hoge geluid van een klein koptelefoontje. Het geluid dat je hoort als iemand z’n muziekspelertje keihard zet en de oortjes nonchalant op de borst laat hangen. Dit gaat geen bejaarde worden is mijn vermoeden. En inderdaad, de strakke beat wordt begeleid door een jonge jongen die heel relaxed met zijn blikje energy drink binnensloft. Geheel volgens de laatste mode gekleed met baggy jeans, een leren jas en bedraad met een klein wit koptelefoontje waaruit een beat komt die nog steeds dezelfde is als een halve minuut geleden. Vooroordelen hou ik niet van, maar ik durf aan te nemen dat deze jongen geen operaliefhebber is.

“Ik mag hier zeker niet drinken hè dokter?” vraagt hij vriendelijk. “Nou, weet je wat,” zeg ik terwijl ik mijn hand uitsteek om zijn blikje aan te pakken, “ ik zet het eventjes hier neer, dan kan je het straks lekker verder opdrinken.” Zonder twijfel reikt hij mij het blikje aan. Zijn ogen zien een klein beetje rood.

“Meneer….” hij kijkt mij aan met een lichte schaamte in zijn blik. “Meneer…. Is het erg als ik een beetje geblowd heb?” Die zag ik even niet aankomen en ik schakel even in een hogere versnelling om hier adrem op te reageren. Ik besluit het antwoord serieus te houden met een geruststellend eindje. “Of het voor de bloedwaarden uitmaakt weet ik niet, maar misschien ben je wel relaxed… eh… chill op deze manier.” Waarschijnlijk had hij een berisping verwacht van mij, want hij kijkt mij enigszins verbaasd aan. Wij mogen er van uit gaan dat zijn arts hem de juiste instructies heeft gegeven en ik ben niet in de positie om te zeggen dat hij de volgende dag terug mag komen zonder drugs te hebben gebruikt. Hij gedraagt zich heel rustig en ik schat in dat hij zich niet raar zal gaan gedragen.

Het zijn 8 buisjes die afgenomen moeten worden bij deze jonge knul. Ik zie bij twee buisjes dezelfde tests staan en vraag even na of het nodig is die beide af te nemen. Dat blijkt zo en ik besluit later maar even na te vragen waarom dat is, eerst maar even bloed afnemen.

Zijn aderen voelen aan als die van een bejaarde. Dun en hard. Dat is heel vreemd, want deze jongen zit nog half in zijn pubertijd. Tot mijn stomme verbazing komt er geen bloed in het eerste buisje dat ik in de houder druk. Ik voel voorzichtig naast de naald en ik heb duidelijk misgeprikt. Ik baal, maar laat er niets van merken. Het is nog mogelijk om de naald een klein stukje terug te trekken en dan opnieuw te prikken, maar ik hou niet zo van de ‘wroet en poer’ techniek, dus ik haal de naald uit zijn arm. Volgens mij heeft hij nauwelijks iets gemerkt.

In het hokje tegenover mij is mijn collega net klaar met zijn patiënt en ik kijk hem een beetje sip aan met de mededeling “Ik heb misgeprikt….” “Je mag zijn andere arm nog even proberen, maar ik wil het ook wel doen hoor” zegt hij heel geruststellend. Daar ben ik blij mee.

We verhuizen even naar de overkant en mijn collega is ook verbaasd over de textuur van de vaten van deze jonge man. Mijn aderkeuze was prima als hij zegt: “Ik prik hem er gewoon vlak onder hoor.” De meester aan het werk, de buisjes vullen zich perfect.

Als de jongen wegloopt, kijken we elkaar vertederd aan “Ach gossie, zo’n jongen…” zegt mijn collega. Ik begrijp precies wat hij bedoelt. Ik draai me om om de volgende patiënt op te roepen. In mijn ooghoek zie ik een blikje energy drink staan. Als ik het al vergeten was, zal mijn vriendelijke blower het ook wel niet meer weten. Ik zet het even uit het zicht en wacht op de volgende verrassing.

Pinguïnpleister

Vandaag mag ik terug naar mijn roots. Het is pas een paar weekjes geleden, maar het lijkt een eeuwigheid. Na de prikronde word ik gevraagd om bij te springen op de prikpoli omdat het nogal druk is. Ik pak mijn kans, want op de prikpoli valt veel te leren. Je prikt aan één stuk door en er zitten erg veel collega’s om je heen met bergen ervaring die je zo af en toe nog een trucje kunnen toestoppen.

Met de ervaring die ik inmiddels heb opgedaan tijdens de prikronde gaat het fantastisch. Nauwelijks sclerotische (verharde) vaten die je bij oude mensen nogal vaak ziet en veel jonge mensen met grote soepele vaten. En er komen zo af en toe wat onverwachte patiënten binnen.

Het licht uit de gang valt een klein beetje weg als mijn volgende patiënt binnenwandelt. Het is een hele grote man en zijn armen zijn enorm. Als hij zijn mouw opstroopt zie ik een biceps waar Arnold nog een puntje aan kan zuigen. “Sportschool?” vraag ik aan de jonge man. “Ja, een beetje” zegt hij bescheiden. Ik geloof er niks van. Met zulke armen lig je minstens drie keer per week ijzer omhoog te duwen in de gym, maar met deze man ga ik niet in discussie. Iemand met zulke armen heeft altijd gelijk. Zolang het mijn werk niet beïnvloed tenminste.

In zijn onderarm zie ik één van de grootste aderen die ik ooit gezien heb. Hij is bijna twee centimeter breed. “Als ik nu mis prik ga ik een andere baan zoeken” zeg ik tegen de man die heel relaxed achterover leunt in mijn prikstoel. Hij past er net in. Mijn stuwband had ik thuis kunnen laten, maar voor de vorm doe ik hem even om en trek hem losjes aan. De groene naald die we gebruiken is de dikste van allemaal met z’n 0.8 millimeter doorsnede, maar zelfs dit naaldje moet oppassen dat hij zich niet verslikt in de keiharde straal bloed die uit mijn patiënt spuit. Het buisje gromt zachtjes van de druk en ik doe gauw de stuwband af, maar dat maakt geen verschil. “Uw hart pompt nog aardig hoor mijnheer” zeg ik terwijl ik moeite heb met het bijhouden van het tempo waarin de buisjes zich vullen. Het klusje is dan ook in no-time klaar en ik kan mijn baantje houden. Met een Amsterdams “Mazzel hè” vertrekt de grote man en sticker ik de warme buisjes waarna ik ze maar meteen eventjes veilig wegbreng. Geen man om ruzie mee te krijgen, hoewel ik vermoed dat hij het geen enkel probleem zou vinden om nog een keer geprikt te worden.

Als de lange dag ten einde is vraagt een van mijn leuke collega’s waarom ik een kinderpleister op het topje van mijn wijsvinger heb zitten. Het is een leuke pleister met daarop een pinguïn die alle patiënten heeft aangekeken die langskwamen vandaag. Bij een aantal patiënten heb ik even een kleine verklaring af moeten leggen waarom ik een pleister op mijn vinger draag, zoals bij het jongetje die keihard tegen zijn bloednerveuze moeder schreeuwde: “Kijk mama, de dokter heeft ook een pleister, net als papa!” Ik kan me voorstellen dat het niet meteen vertrouwen wekt als degene die een naald in je arm gaat steken zo onhandig is dat hij zichzelf prikt. Het was gelukkig geen bedrijfsongeval zoals velen dachten, maar prikken met een pleister op de vinger waar je normaal gesproken aderen mee zoekt is niet ideaal. De middel en ringvinger bleken het trucje gelukkig erg snel door te hebben.

Omdat we onze handen schoonmaken met alcoholgel tussen het prikken door heb ik bijna vijf pinguïnpleisters versleten en mijn collega zegt een betere oplossing te hebben voor als ik het nog een keer nodig heb. Ik hoor wat gegiechel achter mij als zij mij de oplossing aanreikt.

Het lijkt op iets waar verliefde kabouters waarschijnlijk meer aan hebben dan ik, maar aangezien niemand ooit heeft kunnen bewijzen dat Rien Poortvliet met levende modellen heeft gewerkt snap ik al snel wat het werkelijke doel van dit beschermende instrument, gemaakt van het sap van een exotische boom, voor dient. Ik bewaar het maar even in mijn kluisje, want het is vrijdag en in het weekend ga ik hier niet veel aan hebben.

Prikles

Sommige patiënten hebben hun eigen kamer, sommigen liggen met meerdere op een kleine zaal en op iedere afdeling zijn een paar kamers die flink groter zijn dan de andere. Zo ook de eerste kamer waar ik vandaag naar binnen wandel. Er staat maar één bed, maar er hadden er makkelijk twee of drie in gekund. De oude dame die op de rand van haar bed een boterham zit te smeren is ruim behuisd.

Met “O, kom je bloed prikken?” wordt mijn openingszin in de kiem gesmoord. “Ja mevrouw, ik be…..” “Nou, kom maar, ik vertel je wel even wat je doen moet.” Mijn nieuwsgierigheid is gewekt naar de prikles die deze montere dame mij wil gaan geven. “Deze arm moet je hebben en dan moet je hier prikken” zegt de dame terwijl ze naar een flinke blauwe plek wijst op haar linkerarm. “Bent u daar al vaker geprikt mevrouw?” vraag ik als opmaat voor mijn lichte bezwaar tegen de hematoom die mij aanstaart vanuit haar elleboogholte. “Ik word daar altijd geprikt en dat is de enige plek waar het goed gaat, dus doe maar.” “Er zit wel een flink hematoom mevrouw, daar prikken we liever niet in.” Voor het eerst na mijn binnenkomst zie ik dat de vrouw haar twijfel mindert over mijn vakkundigheid.

“Dan moet je even zo’n bandje omdoen… en zou je het grote licht niet even aandoen?” commandeert ze voort. “Goed idee mevrouw” acteer ik mee, “weet u waar het knopje zit?” “Probeer die daar op de muur maar even.” Het blijkt de juiste knop en het licht knippert aan. Veel licht hebben we niet nodig bij het bloed afnemen, want aderen vinden we door te voelen, niet door te kijken, maar als ik deze mevrouw het gevoel kan geven dat ze de touwtjes in handen heeft door het lichtknopje om te zetten is dat een kleine moeite met een groot resultaat.

Ik bestudeer de lelijke blauwe plek die op haar arm zit en ontdek dat ik het hematoom van de ader weg kan duwen zodat een ongeschonden stukje huid over de punctieplaats komt te liggen. Echt moeilijk lijkt het niet te gaan worden, want de ader is dikker dan bij de meeste oudere mensen. “Ja, precies, daar en dan niet op die bobbel, maar vlak daar onder” wordt ik gesouffleerd. Het is een prima plek en nu het hematoom uit de weg is zie ik geen bezwaar om daar te prikken. Het zwarte naaldje gaat snel de ader in en mijn eerste buisje vult zich goed. Het tweede buisje heeft al net zo weinig moeite om zich vol te zuigen en de derde gaat ook prima. Buisje er uit, kussentje er op, naaldje er uit. “Het is al weer klaar mevrouw.” In haar blik zie ik opluchting dat dit knulletje het klusje goed heeft volbracht dankzij haar aanwijzingen.

Als ik onder het kussentje gluur om te kijken of het bloeden is gestopt zie ik een grote druppel bloed uit haar ader komen. Ik hoef niet te vragen of mevrouw bloedverdunners gebruikt. Dat is wel duidelijk. Ik pak snel twee nieuwe kussentjes en druk het wondje af. Terwijl de vrouw de kussentjes vasthoudt maak ik een flinke plakker van drie stukken tape om er overheen te doen.

“Plak je wel even de stickers op de buisjes?” vraagt de dame terwijl ik de laatste rommeltjes van haar bed raap. Ik loop naar het tafeltje waar mijn prikbakje staat en haal de drie reeds gestickerde buisjes uit het rekje om ze aan de vrouw te laten zien. “Kijkt u maar, alle drie met uw naam er op.” Ze kijkt, maar ik vermoed dat de kleine lettertjes onleesbaar voor haar zijn. Ze richt zich al weer tot haar boterhammetjes.

Met “Ja, want laatst was hier ook zo’n jonkie en die maakte er een potje van” geeft ze de reden van haar argwaan richting mij. “Nou, dat gaat vandaag niet gebeuren hoor mevrouw.” Hartelijk dank voor uw aanwijzingen, op deze manier was het een fluitje van een cent.

Deze mevrouw houdt van orde, dus ik ruim demonstratief de stoel op die ik heb gebruikt en vraag haar of ik het licht moet uitdoen onderweg naar buiten. Een glimlach zit er niet in vandaag, maar haar ogen staan een stuk rustiger dan toen ik binnenkwam als ze zegt: “Nee hoor, laat maar aan.”

Met een brede glimlach op mijn gezicht loop ik terug naar de prikkar. Mijn collega ziet het en zegt: “Nou, dat ging zeker wel goed hè?” “Ja, ik heb even prikles gehad van een oude dame.” “Wat kunnen ze leuk zijn hè die oudjes?” antwoord ze met een glimlach. Mijn dag kan niet meer stuk in elk geval.