Samen met haar moeder komt ze binnen. Ze praten met elkaar in, wat ik denk, een Afrikaanse taal. In perfect Nederlands vertelt ze ‘mijn’ AIOS (assistent in opleiding tot specialist oogheelkunde – iemand die al arts is, maar nu aan het doorleren is voor oogarts) dat ze pijn heeft als ze bepaalde kanten op kijkt. Het is haar rechter oog en het doet pijn als ze ‘naar opzij’ kijkt – wat dokters ‘lateraal’ noemen – en naar boven – superior in dokterpraat.
Het is de eerste patient die ik zie met pijn bij het bewegen van het oog en wat ik gelezen heb is dat dat best een alarmsymptoom is. Dus volkomen terecht dat de huisarts haar heeft doorverwezen. Mijn geroutineerde aios stelt de gebruikelijke vragen.
“Sinds wanneer is dit?”
“Sinds een dag.”
“Zie je minder scherp met het oog.”
“Nee. “
“Heb je lichtflitsen gezien. “
“Nee.”
“Ben je verder gezond?”
“Ja.”
“Heb je allergieen. “
“Nee…”
Dat maakt het ook niet echt veel duidelijker. Eerst maar even de visus testen (De patient naar steeds kleinere lettertjes laten kijken om te zien hoe scherp de patient ziet)…. Ze ziet perfect. Met beide ogen 125%.
Dan maar even, zoals Bassie altijd zei, de ‘binnenkant van haar ogen’ bekijken met de spleetlamp.
Jonge mensen zijn over het algemeen supergezond en er is met de spleetlamp dan ook geen enkele afwijking te vinden. De arts voelt aan haar oog en voelt een verdikking in het bovenste ooglid. ‘Mogelijk een hordoleum internum’ mompelt hij. Dat is een verstopt talgkliertje dat op kan zetten en daardoor het oog irriteert bij bepaalde bewegingen. Maar hij is niet overtuigd en vertelt me dat hij er een ‘niet pluis’ gevoel bij heeft.
Artsen hebben een heel belangrijke maat om te bepalen of er iets ernstigs aan de hand is of niet en die maat heet ‘pluis’. De meeste mensen die bij de dokter komen hebben iets dat wel weer over gaat. Of zoals mijn moeder het altijd verwoordt “Dat gaat wel weer over voordat je een meissie bent.” Maar soms krijgt een arts een ongemakkelijk gevoel bij een patient en dan noemen we dat een ‘niet pluis gevoel.’ Zo ook hier dus.
Het is half een. Mijn aios werkt al een half uur door in zijn lunchpauze en de poli is praktisch verlaten, maar hij neemt de beslissing om toch even zijn supervisor te raadplegen. We willen geen patient naar huis sturen die misschien iets ernstigs onder de (oog)leden heeft.
We lopen naar de kantine en na een korte samenvatting van wat we zojuist gezien hebben geeft de oogarts als suggestie dat de patiente even naar een rood vlak moet kijken. Afwisselend met beide ogen om te kijken of de kleur rood verschillend gezien wordt met een van de ogen. Dat is een test die gebruikt wordt om een afwijking aan de oogzenuw te ontdekken.
Terug in de spreekkamer legt mijn aios zijn telefoon met een rood vlakje voor de patiente en vraagt haar afwisselend met haar linker en rechteroog naar het rode vlakje te kijken. Ze ziet geen verschil. Nog steeds ongerust belt mijn aios zijn supervisor en vraagt of hij ook even wil kijken. Het spleetlamponderzoek levert ook bij hem geen bijzonderheden op en, vanwege de kleine verdikking van het bovenooglid wordt als werkdiagnose ‘hordoleum internum’ gesteld. Ergens onbevredigend, maar als zowel de oogarts als de oogarts in opleiding niks kunnen vinden dan moet het consult zo maar even afgesloten worden.
Het hele consult vraag ik mij af of het geen infectie kan zijn. Mams komt duidelijk uit een Afrikaans land. Een land waar de meest bizarre parasieten zitten te wachten om van mensen te snoepen. Misschien zijn ze op vakantie geweest en heeft ze iets opgelopen. Mijn aios vraagt het niet en ik krijg niet de ruimte om vragen te stellen aan de patiente. Iets wat ik achteraf best jammer vindt. Een eenvoudig “Zou de co-assistent nog iets willen vragen” van mijn aios zou me de ruimte hebben gegeven en hem wat extra tijd om na te denken. Maar voordat ik een vraag kan stellen wordt ik meegesleurd naar de supervisor.
Dat was vrijdag…..
Maandag zit ik bij dezelfde aios en komt een van zijn collega’s ongerust binnen. “Ik heb jouw patient van vrijdag in mijn spreekkamer en ze is in het weekend naar de eerste hulp geweest omdat ze meer pijn aan haar ogen kreeg. Ik denk toch aan een neuritis optica – een ontsteking van de oogzenuw.” Mijn aios baalt dat hij het gemist heeft. Ik zeg hem dat het niet zijn schuld was, want op dat moment was er geen aanwijzing dat het om een neuritis optica zou kunnen gaan en hij heeft ook nog eens zijn supervisor er bij geroepen.
We lopen heel even naar de spreekkamer van de collega en zien hetzelfde meisje die er duidelijk minder goed aan toe is. Maar de volgende patient wordt al weer opgeroepen en we moeten terug naar onze eigen spreekkamer.
De dag loopt ten einde en het is ook het einde van mij co-schap oogheelkunde. Alleen blijven sommige dingen die je meemaakt in je hoofd rondspoken.
Ook al heb ik een positieve beoordeling binnen van mijn co-schap oogeheelkunde en kan ik het af doen met ‘afgerond.. next!’ laat het mij niet los. Ik mail een van de coordinatoren van het blok of hij de mogelijkheid heeft om te kijken hoe het verloop van de casus is geweest. Hij mailt snel terug met de opmerking dat hij het niet weet en ik de aios zelf mag mailen. Dat doe ik, maar helaas duurt het een paar dagen voordat ik de conclusie moet trekken dat ik waarschijnlijk geen antwoord zal krijgen. Dat is een gemiste kans. Dit zou een enorm leermoment kunnen zijn. Niet alleen voor mij, maar ook voor de artsen die deze patiente hebben gezien. Want er gaat echt nog wel een keer een patient langskomen met dezelfde klachten en mogelijk met dezelfde oorzaak…
Ik hoop dat mijn aios nog terugmailt, maar de co-schap trein dendert voort en ik moet al weer alles van de keel, de neus en het oor leren. Soms gaat de haast waarmee artsen hun patienten weg willen werken blijkbaar ten koste van een mooi leermoment. Een ding wat ik wel bevestigd heb gekregen is dat ik, ook al kan het een hele stomme zijn, gewoon die vraag moet droppen. Het kan in mijn objectieve, niet gehinderd door al te veel voorkennis, positie zo maar een vraag zijn die tot een diagnose leidt.
