Oudere mensen die op de poli geprikt moeten worden en in een rolstoel zitten vallen in vier categorieën. Een aantal komt op eigen kracht binnen, meestal in een eigen rolstoel en niet zo één van het ziekenhuis met een infuuspaal er aan vastgelast. Sommige worden geholpen. Deze mensen worden naar binnen gereden, neergezet en de persoon die de rolstoel duwde gaat stilletjes op onze gastenkruk zitten wachten tot alles klaar is. Sommige worden afgeleverd. Deze worden binnengereden en alleen achtergelaten met de opmerking “Ik haal nog even een kop koffie hoor, dit zal wel weer even gaan duren.” De laatste categorie is mensen die begeleid worden. Zij worden door hun begeleider in de juiste positie geplaatst, uit hun jas geholpen en hun hand wordt vastgehouden tijdens het prikken. Vanzelfsprekend de leukste categorie. Mijn volgende patiënte valt in de laatste categorie.
Een in elkaar gezakt vrouwtje wordt binnengereden en mijn “zo… wie mag ik prikken” wordt ontvangen met twee vragende blikken. Jammer, hij komt niet aan…. Ik pak de gele prikopdracht aan van de dame in de rolstoel en zie dat zij voor 1920 geboren is. Als ik met ontzag in mijn stem haar geboortedatum noem zegt de dame “Ja, ik ben nog uit de tijd van de houten gulden.” Ik kan er hardop om lachen. Met een goed gevoel voor humor kan je flink oud worden blijkt maar weer.
“Zeg, je kan toch wel een beetje prikken hè?” vraagt de begeleidster aan me “want ze is twee weken geleden helemaal blauw geprikt.” “Ja, die me toen geprikt heeft had het koperen garen ook niet uitgevonden” vult de oude dame aan. “Soms moet ik naar de ane… enste….” “Slaapdokter” vul ik haar maar even aan. Ja, precies zegt ze met een glimlach. Voor het eerst zie ik ook de mondhoeken van de begeleidster licht opkrullen. “Gaat goed” denk ik bij mezelf als ik de arm van de vrouw onderzoek.
“Je bent toch wel een beetje bij de wekker vandaag hè?” vraagt de dame mij. Met “wat een hoop spreekwoorden gebruikt u mevrouw” verhul ik dat ik geen idee heb waar ze het over heeft. “Ken je die niet? Ze bedoelt of je een beetje uitgeslapen bent.” “O, nou, als ik in slaap val moet u me maar even wakker maken hoor.”
Haar vaatjes zijn heel zacht, iets wat best bijzonder is voor iemand op die leeftijd en ze rollen alle kanten op. Met “Ze rolle als een dolle hoor, die aderen van mij” verwoord de dame mijn gedachten. “Nou, dat geeft niet mevrouw, dan neem ik ze even in de houdgreep” zeg ik terwijl ik met twee vingers van mijn linkerhand haar vene fixeer. Een goedgemikt prikje levert het gewenste resultaat en er hoeven vandaag geen anestedinges aan te pas te komen om deze vrouw te prikken.
“Ow, gelukkig, het gaat in één keer goed” zegt de begeleidster. In mijn gedachten veeg ik het zweet van mijn voorhoofd. Mazzeltje, maar niks laten merken.
“Dat van dat koperen garen, is dat echt een spreekwoord?” vraag ik terwijl ik met één hand het kussentje op haar arm aandruk en met de andere hand mijn buisjes sticker. Dat laatste heeft wat oefening gekost, maar lukt inmiddels al aardig. “Ze bedoelt dat ie het buskruit niet uitgevonden had.” “Nee hoor, het is echt een uitdrukking” verdedigt de vrouw zichzelf. “Ze verzint ze waar je bij zit hoor” vult de begeleider aan.
De buisjes zitten gestickerd in een bekertje en ik plak het kussentje vast op de arm van de vrouw. “Zo, die arm zit weer vast.” Ze kan er om lachen. De begeleidster legt de jas van de patiënte op haar schoot en het komt zo hoog te liggen dat de dame er niet meer overheen kan kijken. Ik duw het een beetje naar beneden “Zo, anders hebben we straks een verkeersongeval, dat scheelt weer een ritje met de ambulance.” Mijn gebaar wordt gewaardeerd en de dames verlaten beide met een glimlach de prikcabine. Dat zie ik graag. Zeker bij een dame uit de tijd van de houten gulden.
