Code D

De naprik ronde zit er op. Als patiënten tussen half negen en half elf niet aanwezig zijn of te moeilijk te prikken, dan wordt de prikopdracht doorgeschoven naar de ‘veegploeg’ die in dit geval bestaat uit mij en een collega. Een collega die zo veel rust uitstraalt dat inmiddels al drie patiënten met naald en al in hun arm in slaap zijn gevallen terwijl zij bloed aan het afnemen was. Als ik haar het geheim vraag van haar Klaas Vaak techniek grapt ze dat ze haar patiënten ‘gewoon hypnotiseert.’ Ik vraag maar niet verder, want ik vermoed dat er een klein beetje toverkracht aan te pas komt die niet voor iedereen is weggelegd. Het is in elk geval mooi om te zien. Zij die zegt: “Komt het prikje hoor…..” en de patiënt die antwoord met “Zzzzzzzzzzzzz…….”

De naprik liep zeer voorspoedig. Van de tien patiënten hebben we slechts één briefje hoeven achterlaten aan de arts en dat was ook nog omdat de patiënt niet aanwezig was, dus van alle naveegpatiënten komen we terug met wat bloed. Het waren bijna twee briefjes omdat we bij een zeer moeilijk te prikken patiënte na allebei één keer geprikt te hebben wilden stoppen, maar de patiënte zelf vroeg of we het niet nog even een keer in haar hand wilden proberen. “Ja, ik wil zo snel mogelijk de uitslag, want dan mag ik eerder naar huis.” En ja, als een patiënt vraagt om geprikt te worden, dan kan je dat natuurlijk niet weigeren.

Als we de volbrachte opdrachten afleveren in het bloedlaboratorium krijgen we van de analiste nog één onvoldane opdracht toegeschoven. Er staat op “Patiënt bezig onwel te worden.” met daaronder “Patiënt onwel geworden.” en de naam van een collega die blijkbaar goed kan zien wanneer iemand onwel gaat worden, want zo te zien was de voorspelling feilloos uitgekomen.

Wij houden er beide van om ons werk netjes af te sluiten, dus pakken we met hernieuwde goede moed een koffer met prikspullen en vertrekken we met de lift naar de allerlaatste patiënt van de dag.

In het begin was het vinden van de juiste afdeling af en toe nog een zoekplaatje, maar na een prikrondje of vijftien weet ik inmiddels wel waar de kamers zijn en met de ruime ervaring van mijn collega speren we feilloos naar de juiste kamer.

Op de deur hangt een handgeschreven briefje “Alle bezoek eerst melden bij de receptie.” Het is natuurlijk even de vraag of wij ‘bezoek’ zijn, maar om het zekere voor het onzekere te nemen melden wij ons bij de receptie.

“Goedemiddag, wij komen wat bloed afnemen, maar we zien dat er een briefje hangt dat we ons eerst even moeten melden.” “Ja, dat is overbodig hoor, mijnheer is overleden” zegt de dame achter de balie. Ik zou hem zelf iets subtieler gebracht hebben, maar heb alle begrip voor de verontwaardigde toon in haar stem. “Hoe haal je het in je hoofd om bloed af te gaan nemen bij een overleden patiënt?” zie ik haar denken, terwijl ik het op mijn beurt wel netjes had gevonden als dit nieuws even aan ons was doorgegeven, want het komt mij ook koud op mijn dak vallen. Met een neutraal “dan gaat het over” verlaten we de afdeling.

Onderweg terug naar het lab heb ik er lang voor nodig om te verzinnen wat ik als laatste ode aan deze overleden mijnheer op de prikopdracht moet zetten. “Pijp aan Maarten gegeven” komt in mij op, maar eigenlijk heb ik geen idee wie die Maarten is en wat hij met een pijp zou moeten. “Kassie wijle” zou bij het Amsterdamse karakter van het ziekenhuis passen, maar is wel erg Bargoens. “Patiënt is hemelen” is best mooi, maar niet gepast als hij misschien een hekel had aan geloof.

Mijn collega haalt mij uit mijn dagdroom en voelt mijn dilemma feilloos aan met de woorden “Zet er maar “code D” op, dan weten ze wel wat je bedoelt.” Die kende ik nog niet. Een mooie term, maar een klein beetje onpersoonlijk vind ik zelf. We lopen het lab al bijna binnen als ik het maar even hou op “Patiënt overleden.” Zelf geloof ik er eerlijk gezegd niet in, maar stiekem hoop ik dat het toch “Patiënt is hemelen” is geworden.

Spreekwoorden

Oudere mensen die op de poli geprikt moeten worden en in een rolstoel zitten vallen in vier categorieën. Een aantal komt op eigen kracht binnen, meestal in een eigen rolstoel en niet zo één van het ziekenhuis met een infuuspaal er aan vastgelast. Sommige worden geholpen. Deze mensen worden naar binnen gereden, neergezet en de persoon die de rolstoel duwde gaat stilletjes op onze gastenkruk zitten wachten tot alles klaar is. Sommige worden afgeleverd. Deze worden binnengereden en alleen achtergelaten met de opmerking “Ik haal nog even een kop koffie hoor, dit zal wel weer even gaan duren.” De laatste categorie is mensen die begeleid worden. Zij worden door hun begeleider in de juiste positie geplaatst, uit hun jas geholpen en hun hand wordt vastgehouden tijdens het prikken. Vanzelfsprekend de leukste categorie. Mijn volgende patiënte valt in de laatste categorie.

Een in elkaar gezakt vrouwtje wordt binnengereden en mijn “zo… wie mag ik prikken” wordt ontvangen met twee vragende blikken. Jammer, hij komt niet aan…. Ik pak de gele prikopdracht aan van de dame in de rolstoel en zie dat zij voor 1920 geboren is. Als ik met ontzag in mijn stem haar geboortedatum noem zegt de dame “Ja, ik ben nog uit de tijd van de houten gulden.” Ik kan er hardop om lachen. Met een goed gevoel voor humor kan je flink oud worden blijkt maar weer.

“Zeg, je kan toch wel een beetje prikken hè?” vraagt de begeleidster aan me “want ze is twee weken geleden helemaal blauw geprikt.” “Ja, die me toen geprikt heeft had het koperen garen ook niet uitgevonden” vult de oude dame aan. “Soms moet ik naar de ane… enste….” “Slaapdokter” vul ik haar maar even aan. Ja, precies zegt ze met een glimlach. Voor het eerst zie ik ook de mondhoeken van de begeleidster licht opkrullen. “Gaat goed” denk ik bij mezelf als ik de arm van de vrouw onderzoek.

“Je bent toch wel een beetje bij de wekker vandaag hè?” vraagt de dame mij. Met “wat een hoop spreekwoorden gebruikt u mevrouw” verhul ik dat ik geen idee heb waar ze het over heeft. “Ken je die niet? Ze bedoelt of je een beetje uitgeslapen bent.” “O, nou, als ik in slaap val moet u me maar even wakker maken hoor.”

Haar vaatjes zijn heel zacht, iets wat best bijzonder is voor iemand op die leeftijd en ze rollen alle kanten op. Met “Ze rolle als een dolle hoor, die aderen van mij” verwoord de dame mijn gedachten. “Nou, dat geeft niet mevrouw, dan neem ik ze even in de houdgreep” zeg ik terwijl ik met twee vingers van mijn linkerhand haar vene fixeer. Een goedgemikt prikje levert het gewenste resultaat en er hoeven vandaag geen anestedinges aan te pas te komen om deze vrouw te prikken.

“Ow, gelukkig, het gaat in één keer goed” zegt de begeleidster. In mijn gedachten veeg ik het zweet van mijn voorhoofd. Mazzeltje, maar niks laten merken.

“Dat van dat koperen garen, is dat echt een spreekwoord?” vraag ik terwijl ik met één hand het kussentje op haar arm aandruk en met de andere hand mijn buisjes sticker. Dat laatste heeft wat oefening gekost, maar lukt inmiddels al aardig. “Ze bedoelt dat ie het buskruit niet uitgevonden had.” “Nee hoor, het is echt een uitdrukking” verdedigt de vrouw zichzelf. “Ze verzint ze waar je bij zit hoor” vult de begeleider aan.

De buisjes zitten gestickerd in een bekertje en ik plak het kussentje vast op de arm van de vrouw. “Zo, die arm zit weer vast.” Ze kan er om lachen. De begeleidster legt de jas van de patiënte op haar schoot en het komt zo hoog te liggen dat de dame er niet meer overheen kan kijken. Ik duw het een beetje naar beneden “Zo, anders hebben we straks een verkeersongeval, dat scheelt weer een ritje met de ambulance.” Mijn gebaar wordt gewaardeerd en de dames verlaten beide met een glimlach de prikcabine. Dat zie ik graag. Zeker bij een dame uit de tijd van de houten gulden.

 

 

Chinees

“Dit gaat hem even niet worden voor mij, wil jij even bij deze mevrouw kijken?”

Iedereen heeft wel eens een patiënt waarmee het gewoon niet klikt, of wel klikt maar niet lukt. Of je komt bij een patiënt die in een toestand is waar je niet prettig bij voelt. Dan is er altijd wel een collega die het graag even van je overneemt.

Ik begrijp snel waarom mijn collega zich een beetje ongemakkelijk moet hebben gevoeld bij deze dame. Aan haar naam was al te zien dat ze waarschijnlijk chinees is en haar uiterlijk en kleding bevestigen dat. Ze zit in een stoel naast haar bed en kijkt strak voor zich uit. Zo strak dat het een klein beetje ‘creepy’ overkomt. Goedemorgen mevrouw, ik kom even wat bloed afnemen voor het laboratorium….. Geen reactie…..

Als de vrouw mij aankijkt voelt het alsof ze dwars door mij heen kijkt. We zijn dan ook op de afdeling neurologie en daar kunnen mensen soms wat apart reageren. Het niveau van communiceren verplaatst zich dan van denken naar voelen. Normaal maak je een ‘praatje’ om een klein vertrouwensbandje op te bouwen. Nu is het meer je lichaamshouding die telt en de manier waarop je iemand aankijkt. Aandacht geeft. Of wat soms ook wel ‘je energie overbrengt’ genoemd wordt. Uiteindelijk is alle materie energie, zo ook wij mensen en hoewel we geen idee hebben waarom het ‘met de een’ wel werkt ‘en met de ander niet’ weten we wel dat het zo is. OK, we laten de quantum,- metafysica even over aan de Hawkins’s en Tolle’s voor nu, we hebben een prikopdracht.

Ik pak m’n spulletjes, leg die in mijn schoot en ga op een stoel tegenover de vrouw zitten. Als ik haar hand vastpak om haar mouw op te stropen voelt deze heel koud aan. “Mevrouw, wat een koude hand heeft u?” Als in een reflex pak ik haar linkerhand in mijn beide handen. Mijn handen zijn lekker warm, want ik heb de hele ochtend al geprikt en dan ben je flink met je handen bezig. Ineens beweegt ze haar rechterhand langzaam naar haar oog. Als ik kijk zie ik dat ze een traantje wegveegt. Over haar andere wang biggelt een traan langzaam naar beneden.

Ik pak de spulletjes uit mijn schoot en loop naar mijn prikbakje om er een paar kleine doekjes uit te halen die we normaal gebruiken om een arm te ontsmetten met alcohol. Ik pak er twee af en neem ze mee terug naar de oude Chinese dame.

Met een langzame beweging breng ik een doekje naar haar wang en veeg de traan weg. In haar rechterooghoek verschijnt ook weer een traantje die ik gelijk maar even wegveeg met hetzelfde doekje. Ik heb geen idee waarom deze mevrouw huilt, maar mijn gevoel zegt dat het helemaal niet verkeerd is om haar tranen weg te nemen met mijn doekje. Ik doe het langzaam en als ze het niet wil kan ze mij makkelijk tegenhouden. Ook al zegt ze niets, beweegt ze amper en is haar blik leeg, we zijn wel gewoon twee mensen in dezelfde wereld en deze dame heeft bijna 90 jaar ervaring met leven achter de rug. Ik zou graag een paar mooie verhalen van haar horen, maar dat zit er vandaag helaas niet in.

Het is moeilijk een adertje te vinden in de arm van de oude dame, dus uiteindelijk kies ik er maar voor om een wat dunne oppervlakkige ader in de bovenkant van haar onderarm aan te prikken. Met succes, het dunne naaldje laat een klein beetje bloed zien in zijn houdertje. Met perfecte timing komt mijn collega binnen die aanbiedt de buisjes te wisselen. Dat komt heel goed uit, want ik heb al mijn concentratie nodig om het naaldje in de goede positie te houden zodat het bloed niet stopt met stromen. Het loopt erg langzaam, maar met een beetje geduld lukt het prima.

Als mijn collega wegloopt met de gestickerde buisjes zie ik dat de ogen van de vrouw weer een klein beetje vochtig worden. Ik dep ze voorzichtig droog. Er zit een haar op haar neus. Die zal vast kriebelen, die veeg ik ook gelijk even weg. Voor de zekerheid leg ik nog een droog doekje vlakbij haar rechterhand zodat ze eventuele toekomstige tranen kan drogen. Hopelijk was het een traantje door het kleine beetje warmte dat ik haar heb kunnen geven. Dan was het een mooi traantje.