Het was een redelijk moeizame prikronde. De laatste patiente was heel lastig te prikken en er was een enorme drukte op de afdeling. Het was zo druk, dat toen wij iets wilde vragen over de patiente en op het “Verpleging” knopje bij het bed drukte we tien minuten vergeefs hebben gewacht op de verpleging. Dan hoop je toch dat er niet iets gebeurt dat acuut aandacht nodig heeft.
We brengen het bloed naar het lab, vullen onze kar bij en wassen onze handen. Op het moment dat ik mijn handtekening wil zetten om aan te geven dat we klaar zijn, zie ik een geel briefje met de opmerking “Onze vaste naprikmedewerkers zijn ziek, zou jij het voor je rekening willen nemen samen met een collega?” Ik schrijf er onder dat ik eerst even een boterhammetje ga eten, het zou voor de afwisseling misschien interessant zijn, maar waarschijnlijk toch vervelend als de bloedafnemer flauw valt tijdens het prikken.
Bij terugkomst blijken er 7 opdrachten te zijn en de collega met wie ik zou samenwerken is reeds vertrokken. Of ik het alleen zou willen doen. “Als het niet lukt kan je het altijd aan de arts overlaten” krijg ik bemoedigend toegestopt. “Ja hoor, geen probleem” hoor ik mezelf zeggen en ben al onderweg naar de prikkoffers die speciaal voor de naprik gemaakt zijn.
De eerste prikopdracht meldt met pen geschreven dat twee van mijn collega’s het beide al twee keer geprobeerd hebben zonder bloed te hebben kunnen afnemen. “Hoe ga ik dat in hemelsnaam voor elkaar krijgen?” denk ik bij mezelf. Als ik naar de geboortedatum kijk blijkt die ook nog eens vlak na de eerste wereldoorlog te zijn. Bemoedigende woorden van mijn ervaren collega’s komen bovendrijven. “Gewoon de tijd nemen, vooral niet haasten” en “Soms lukt het gewoon niet, dat heeft iedereen wel eens” geven mij genoeg moed om de grote deur open te duwen naar de kamer.
Als ik de oude vrouw zie die in een stoel naast haar bed zit vraag ik mij af of ik de juiste patiente heb. De vrouw kan mij niet horen als ik haar groet en om haar geboortedatum vraag. Ik herhaal mijn vraag een stuk harder en plaats mijzelf duidelijk in haar blikveld. Langzaam spreekt zij de datum die op de prikopdracht staat uit. Met “Ja, ik ben al 89” dikt ze
de ernst van de zaak flink aan.
Een klein beetje beschaamd dat ik deze dame voor de vijfde keer moet prikken vandaag vraag ik haar of ik even naar haar armen mag kijken. Ze twijfelt geen moment en ik ontwaar zelfs een glimlach op haar gezicht. Dat scheelt, ze vindt het niet zo heel erg.
“Het is zulk mooi weer” spreekt ze langzaam uit als ze uit het raam van de hoge verdieping van haar kamer naar buiten kijkt. “Maar het is buiten heel erg koud” weet ze te melden. Ik vertel haar dat ik de avond ervoor nog een stuk door de stad heb gefietst en dat het echt heel erg koud was. Ze kijkt me begripvol aan en ik bewonder de helderheid die uit haar ogen naar buiten straalt. Als je met 89 jaar nog de schoonheid kan inzien van de zon terwijl je in het ziekenhuis bent opgenomen dan heb je volgens mij erg goed opgelet tijdens je leven.
Ik begrijp waarom mijn collega’s moeite hebben gehad met prikken. Kleine aderen die ver weggestopt zijn, maar tot mijn verbazing nog redelijk zacht. Alsof ze mijn gedachten kan lezen zegt de oude dame “Ik heb mijn hele leven gezond geleefd, maar ik ben nu bang om te lopen, want als ik val kan ik een heup breken.” Met zo veel mogelijk bewondering in mijn blik zeg ik dat haar aderen nog heel erg jong aanvoelen.
Inmiddels heb ik een steuntje gebouwd van handdoekjes om het deze vrouw zo makkelijk mogelijk te maken en haar arm ligt mooi gestrekt voor mij, ze biedt zelfs aan een vuist te maken wat nog heel goed lukt. Na beide armen goed onderzocht te hebben besluit ik de iets zachtere ader in de linkerarm aan te prikken en dat was gelukkig een goede keuze. De buisjes vullen zich niet heel snel, maar voor een vrouw van deze leeftijd neem ik de tijd. “Het is gelukt, ze zijn alle drie vol mevrouw” vertel ik haar met toch wel lichte trots. De vrouw heeft haar blik al weer op haar uitzicht gericht als ik haar het beste wens.
Als ik de kamer verlaat en de verpleging en artsen druk over de afdeling zie lopen vraag ik mij af waarom het er ineens zo anders uitziet dan toen ik aankwam. Ik denk dat ik door heb wat er is gebeurd. De tijd heeft heel eventjes stil gestaan.
