Sommige patiënten hebben hun eigen kamer, sommigen liggen met meerdere op een kleine zaal en op iedere afdeling zijn een paar kamers die flink groter zijn dan de andere. Zo ook de eerste kamer waar ik vandaag naar binnen wandel. Er staat maar één bed, maar er hadden er makkelijk twee of drie in gekund. De oude dame die op de rand van haar bed een boterham zit te smeren is ruim behuisd.
Met “O, kom je bloed prikken?” wordt mijn openingszin in de kiem gesmoord. “Ja mevrouw, ik be…..” “Nou, kom maar, ik vertel je wel even wat je doen moet.” Mijn nieuwsgierigheid is gewekt naar de prikles die deze montere dame mij wil gaan geven. “Deze arm moet je hebben en dan moet je hier prikken” zegt de dame terwijl ze naar een flinke blauwe plek wijst op haar linkerarm. “Bent u daar al vaker geprikt mevrouw?” vraag ik als opmaat voor mijn lichte bezwaar tegen de hematoom die mij aanstaart vanuit haar elleboogholte. “Ik word daar altijd geprikt en dat is de enige plek waar het goed gaat, dus doe maar.” “Er zit wel een flink hematoom mevrouw, daar prikken we liever niet in.” Voor het eerst na mijn binnenkomst zie ik dat de vrouw haar twijfel mindert over mijn vakkundigheid.
“Dan moet je even zo’n bandje omdoen… en zou je het grote licht niet even aandoen?” commandeert ze voort. “Goed idee mevrouw” acteer ik mee, “weet u waar het knopje zit?” “Probeer die daar op de muur maar even.” Het blijkt de juiste knop en het licht knippert aan. Veel licht hebben we niet nodig bij het bloed afnemen, want aderen vinden we door te voelen, niet door te kijken, maar als ik deze mevrouw het gevoel kan geven dat ze de touwtjes in handen heeft door het lichtknopje om te zetten is dat een kleine moeite met een groot resultaat.
Ik bestudeer de lelijke blauwe plek die op haar arm zit en ontdek dat ik het hematoom van de ader weg kan duwen zodat een ongeschonden stukje huid over de punctieplaats komt te liggen. Echt moeilijk lijkt het niet te gaan worden, want de ader is dikker dan bij de meeste oudere mensen. “Ja, precies, daar en dan niet op die bobbel, maar vlak daar onder” wordt ik gesouffleerd. Het is een prima plek en nu het hematoom uit de weg is zie ik geen bezwaar om daar te prikken. Het zwarte naaldje gaat snel de ader in en mijn eerste buisje vult zich goed. Het tweede buisje heeft al net zo weinig moeite om zich vol te zuigen en de derde gaat ook prima. Buisje er uit, kussentje er op, naaldje er uit. “Het is al weer klaar mevrouw.” In haar blik zie ik opluchting dat dit knulletje het klusje goed heeft volbracht dankzij haar aanwijzingen.
Als ik onder het kussentje gluur om te kijken of het bloeden is gestopt zie ik een grote druppel bloed uit haar ader komen. Ik hoef niet te vragen of mevrouw bloedverdunners gebruikt. Dat is wel duidelijk. Ik pak snel twee nieuwe kussentjes en druk het wondje af. Terwijl de vrouw de kussentjes vasthoudt maak ik een flinke plakker van drie stukken tape om er overheen te doen.
“Plak je wel even de stickers op de buisjes?” vraagt de dame terwijl ik de laatste rommeltjes van haar bed raap. Ik loop naar het tafeltje waar mijn prikbakje staat en haal de drie reeds gestickerde buisjes uit het rekje om ze aan de vrouw te laten zien. “Kijkt u maar, alle drie met uw naam er op.” Ze kijkt, maar ik vermoed dat de kleine lettertjes onleesbaar voor haar zijn. Ze richt zich al weer tot haar boterhammetjes.
Met “Ja, want laatst was hier ook zo’n jonkie en die maakte er een potje van” geeft ze de reden van haar argwaan richting mij. “Nou, dat gaat vandaag niet gebeuren hoor mevrouw.” Hartelijk dank voor uw aanwijzingen, op deze manier was het een fluitje van een cent.
Deze mevrouw houdt van orde, dus ik ruim demonstratief de stoel op die ik heb gebruikt en vraag haar of ik het licht moet uitdoen onderweg naar buiten. Een glimlach zit er niet in vandaag, maar haar ogen staan een stuk rustiger dan toen ik binnenkwam als ze zegt: “Nee hoor, laat maar aan.”
Met een brede glimlach op mijn gezicht loop ik terug naar de prikkar. Mijn collega ziet het en zegt: “Nou, dat ging zeker wel goed hè?” “Ja, ik heb even prikles gehad van een oude dame.” “Wat kunnen ze leuk zijn hè die oudjes?” antwoord ze met een glimlach. Mijn dag kan niet meer stuk in elk geval.
