Pinguïnpleister

Vandaag mag ik terug naar mijn roots. Het is pas een paar weekjes geleden, maar het lijkt een eeuwigheid. Na de prikronde word ik gevraagd om bij te springen op de prikpoli omdat het nogal druk is. Ik pak mijn kans, want op de prikpoli valt veel te leren. Je prikt aan één stuk door en er zitten erg veel collega’s om je heen met bergen ervaring die je zo af en toe nog een trucje kunnen toestoppen.

Met de ervaring die ik inmiddels heb opgedaan tijdens de prikronde gaat het fantastisch. Nauwelijks sclerotische (verharde) vaten die je bij oude mensen nogal vaak ziet en veel jonge mensen met grote soepele vaten. En er komen zo af en toe wat onverwachte patiënten binnen.

Het licht uit de gang valt een klein beetje weg als mijn volgende patiënt binnenwandelt. Het is een hele grote man en zijn armen zijn enorm. Als hij zijn mouw opstroopt zie ik een biceps waar Arnold nog een puntje aan kan zuigen. “Sportschool?” vraag ik aan de jonge man. “Ja, een beetje” zegt hij bescheiden. Ik geloof er niks van. Met zulke armen lig je minstens drie keer per week ijzer omhoog te duwen in de gym, maar met deze man ga ik niet in discussie. Iemand met zulke armen heeft altijd gelijk. Zolang het mijn werk niet beïnvloed tenminste.

In zijn onderarm zie ik één van de grootste aderen die ik ooit gezien heb. Hij is bijna twee centimeter breed. “Als ik nu mis prik ga ik een andere baan zoeken” zeg ik tegen de man die heel relaxed achterover leunt in mijn prikstoel. Hij past er net in. Mijn stuwband had ik thuis kunnen laten, maar voor de vorm doe ik hem even om en trek hem losjes aan. De groene naald die we gebruiken is de dikste van allemaal met z’n 0.8 millimeter doorsnede, maar zelfs dit naaldje moet oppassen dat hij zich niet verslikt in de keiharde straal bloed die uit mijn patiënt spuit. Het buisje gromt zachtjes van de druk en ik doe gauw de stuwband af, maar dat maakt geen verschil. “Uw hart pompt nog aardig hoor mijnheer” zeg ik terwijl ik moeite heb met het bijhouden van het tempo waarin de buisjes zich vullen. Het klusje is dan ook in no-time klaar en ik kan mijn baantje houden. Met een Amsterdams “Mazzel hè” vertrekt de grote man en sticker ik de warme buisjes waarna ik ze maar meteen eventjes veilig wegbreng. Geen man om ruzie mee te krijgen, hoewel ik vermoed dat hij het geen enkel probleem zou vinden om nog een keer geprikt te worden.

Als de lange dag ten einde is vraagt een van mijn leuke collega’s waarom ik een kinderpleister op het topje van mijn wijsvinger heb zitten. Het is een leuke pleister met daarop een pinguïn die alle patiënten heeft aangekeken die langskwamen vandaag. Bij een aantal patiënten heb ik even een kleine verklaring af moeten leggen waarom ik een pleister op mijn vinger draag, zoals bij het jongetje die keihard tegen zijn bloednerveuze moeder schreeuwde: “Kijk mama, de dokter heeft ook een pleister, net als papa!” Ik kan me voorstellen dat het niet meteen vertrouwen wekt als degene die een naald in je arm gaat steken zo onhandig is dat hij zichzelf prikt. Het was gelukkig geen bedrijfsongeval zoals velen dachten, maar prikken met een pleister op de vinger waar je normaal gesproken aderen mee zoekt is niet ideaal. De middel en ringvinger bleken het trucje gelukkig erg snel door te hebben.

Omdat we onze handen schoonmaken met alcoholgel tussen het prikken door heb ik bijna vijf pinguïnpleisters versleten en mijn collega zegt een betere oplossing te hebben voor als ik het nog een keer nodig heb. Ik hoor wat gegiechel achter mij als zij mij de oplossing aanreikt.

Het lijkt op iets waar verliefde kabouters waarschijnlijk meer aan hebben dan ik, maar aangezien niemand ooit heeft kunnen bewijzen dat Rien Poortvliet met levende modellen heeft gewerkt snap ik al snel wat het werkelijke doel van dit beschermende instrument, gemaakt van het sap van een exotische boom, voor dient. Ik bewaar het maar even in mijn kluisje, want het is vrijdag en in het weekend ga ik hier niet veel aan hebben.