Ik hoor een hoop gelach als ik de kamer nader waar mijn volgende patiënt moet liggen. Een vrolijke man zit in een stoel en er staan twee verpleegkundigen tegenover hem. “Nou mijnheer, we moeten even beslissen of u eerst naar het toilet wilt of eerst douchen.” “Ja, dat wil ik wel, maar dat gaat moeilijk hoor, want ik heb MS.” De man lacht en ik verbaas mij licht over de vrolijkheid die hij ten toon spreidt.
De man kijkt mij vriendelijk aan als ik aankondig wat bloed bij hem af te willen nemen. “Ow, nou dat kan er ook nog wel bij hoor.. ha ha….” Het doet mij goed te zien dat deze man zijn vreselijke ziekte met humor kan relativeren.
Terwijl ik mijn spulletjes klaarleg kijken de twee verpleegkundigen bezorgd naar de voet van de man die er behoorlijk donkerblauw uitziet. “Was zijn voet gisteren ook al zo blauw?” vraagt de ene verpleegkundige aan de andere. “Nou, zo blauw was ie volgens mij niet hoor.” “Mijnheer, waarom is uw voet zo blauw?” “Nou, misschien had ie niet zo’n zin om rood te zijn vandaag ha ha.” Ik kan er wel om lachen, maar de verpleegkundigen zijn volgens mij niet zo blij met de adremheid van hun patiënt.
Het prikken gaat wat lastig omdat de man niet heel goed stil kan zitten. Hij verontschuldigd zich voor zijn bewegingen en dat raakt mij best wel, want hij kan er natuurlijk helemaal niets aan doen. “Nou mijnheer, ik snap ook wel dat u er zelf niet voor gekozen heeft, dus als u het niet erg vindt als ik uw arm even stil hou is het geen enkel probleem hoor.”
De man blijft lachen als ik mijn naaldje in zijn arm prik. Tot mijn verbazing komt er geen druppel bloed in mijn buisje. Balen zeg, deze man heeft het al zo moeilijk…..
“Nou, dan probeer je die andere arm toch gewoon, ik heb er twee hoor ha ha!” Jeetje, als alle patiënten eens zo relaxt waren, dan zou het werk een stuk prettiger zijn. De verpleegkundigen kijken toe hoe ik de mouw van zijn rechterarm opstroop. Zijn aderen zijn behoorlijk dik en liggen niet heel diep. Terwijl ik een ader op zijn rechterarm betast vraag ik mij nog af waarom het niet gelukt is in de andere arm.
Het bloed afnemen uit zijn rechterarm gaat feilloos en hoewel de man wat druk is ben ik blij met zijn opgewektheid. “Mag ik u vragen wat u voor werk doet mijnheer?” “Ik was leraar op een middelbare school” antwoordt de man. Ik doe een gok en vraag hem “Bent u geschiedenisleraar?” Als de man zegt: “Ja, dat klopt” vermoed ik dat hij mij in de maling zit te nemen, maar mijn verbaasde “Echt?” beantwoordt hij met “Ja, ik gaf geschiedenis.”
Inmiddels al weer klaar met bloedafnemen bedenk ik mij dat deze man waarschijnlijk honderden kinderen verteld heeft over de tweede wereldoorlog, over de Kelten en de Batavieren, over de Eufraat en de Tigris en dat hij nu in een rolstoel met een veel te blauwe voet met de verpleging moet overleggen of hij eerst naar het toilet geholpen gaat worden of eerst wil douchen. Ik word er een klein beetje droevig van, maar deze man niet. Hij blijft lachen en grapjes maken. Misschien wel de enige manier om met zo’n belachelijke ziekte om te gaan.
Inmiddels zijn de onderhandelingen tussen de man en de verpleegkundigen al weer in volle gang. Ik zie een man met een vreselijke ziekte die het allemaal heel positief bekijkt en twee verpleegkundigen die onder enorme tijdsdruk hun geduld beginnen te verliezen omdat er nog zo veel andere patiënten geholpen moeten worden. Feilloos wordt hier voor mij het resultaat van ‘de bezuinigingen in de gezondheidszorg’ geïllustreerd.
Met heel veel begrip zal ik de volgende verpleegkundigenstaking op televisie bekijken. Wat zou het goed zijn om politici die beslissen over de zorgbudgetten eens een paar maanden mee te laten lopen met deze goedbedoelende verpleegkundigen. Dan zullen ze misschien eindelijk begrijpen dat er ook grenzen zijn van het geduld van mensen die het beste voor hebben met hun zieke medemens.

