89

Het was een redelijk moeizame prikronde. De laatste patiente was heel lastig te prikken en er was een enorme drukte op de afdeling. Het was zo druk, dat toen wij iets wilde vragen over de patiente en op het “Verpleging” knopje bij het bed drukte we tien minuten vergeefs hebben gewacht op de verpleging. Dan hoop je toch dat er niet iets gebeurt dat acuut aandacht nodig heeft.

We brengen het bloed naar het lab, vullen onze kar bij en wassen onze handen. Op het moment dat ik mijn handtekening wil zetten om aan te geven dat we klaar zijn, zie ik een geel briefje met de opmerking “Onze vaste naprikmedewerkers zijn ziek, zou jij het voor je rekening willen nemen samen met een collega?” Ik schrijf er onder dat ik eerst even een boterhammetje ga eten, het zou voor de afwisseling misschien interessant zijn, maar waarschijnlijk toch vervelend als de bloedafnemer flauw valt tijdens het prikken.

Bij terugkomst blijken er 7 opdrachten te zijn en de collega met wie ik zou samenwerken is reeds vertrokken. Of ik het alleen zou willen doen. “Als het niet lukt kan je het altijd aan de arts overlaten” krijg ik bemoedigend toegestopt. “Ja hoor, geen probleem” hoor ik mezelf zeggen en ben al onderweg naar de prikkoffers die speciaal voor de naprik gemaakt zijn.

De eerste prikopdracht meldt met pen geschreven dat twee van mijn collega’s het beide al twee keer geprobeerd hebben zonder bloed te hebben kunnen afnemen. “Hoe ga ik dat in hemelsnaam voor elkaar krijgen?” denk ik bij mezelf. Als ik naar de geboortedatum kijk blijkt die ook nog eens vlak na de eerste wereldoorlog te zijn. Bemoedigende woorden van mijn ervaren collega’s komen bovendrijven. “Gewoon de tijd nemen, vooral niet haasten” en “Soms lukt het gewoon niet, dat heeft iedereen wel eens” geven mij genoeg moed om de grote deur open te duwen naar de kamer.

Als ik de oude vrouw zie die in een stoel naast haar bed zit vraag ik mij af of ik de juiste patiente heb. De vrouw kan mij niet horen als ik haar groet en om haar geboortedatum vraag. Ik herhaal mijn vraag een stuk harder en plaats mijzelf duidelijk in haar blikveld. Langzaam spreekt zij de datum die op de prikopdracht staat uit. Met “Ja, ik ben al 89” dikt ze
de ernst van de zaak flink aan.

Een klein beetje beschaamd dat ik deze dame voor de vijfde keer moet prikken vandaag vraag ik haar of ik even naar haar armen mag kijken. Ze twijfelt geen moment en ik ontwaar zelfs een glimlach op haar gezicht. Dat scheelt, ze vindt het niet zo heel erg.

“Het is zulk mooi weer” spreekt ze langzaam uit als ze uit het raam van de hoge verdieping van haar kamer naar buiten kijkt. “Maar het is buiten heel erg koud” weet ze te melden. Ik vertel haar dat ik de avond ervoor nog een stuk door de stad heb gefietst en dat het echt heel erg koud was. Ze kijkt me begripvol aan en ik bewonder de helderheid die uit haar ogen naar buiten straalt. Als je met 89 jaar nog de schoonheid kan inzien van de zon terwijl je in het ziekenhuis bent opgenomen dan heb je volgens mij erg goed opgelet tijdens je leven.

Ik begrijp waarom mijn collega’s moeite hebben gehad met prikken. Kleine aderen die ver weggestopt zijn, maar tot mijn verbazing nog redelijk zacht. Alsof ze mijn gedachten kan lezen zegt de oude dame “Ik heb mijn hele leven gezond geleefd, maar ik ben nu bang om te lopen, want als ik val kan ik een heup breken.” Met zo veel mogelijk bewondering in mijn blik zeg ik dat haar aderen nog heel erg jong aanvoelen.

Inmiddels heb ik een steuntje gebouwd van handdoekjes om het deze vrouw zo makkelijk mogelijk te maken en haar arm ligt mooi gestrekt voor mij, ze biedt zelfs aan een vuist te maken wat nog heel goed lukt. Na beide armen goed onderzocht te hebben besluit ik de iets zachtere ader in de linkerarm aan te prikken en dat was gelukkig een goede keuze. De buisjes vullen zich niet heel snel, maar voor een vrouw van deze leeftijd neem ik de tijd. “Het is gelukt, ze zijn alle drie vol mevrouw” vertel ik haar met toch wel lichte trots. De vrouw heeft haar blik al weer op haar uitzicht gericht als ik haar het beste wens.

Als ik de kamer verlaat en de verpleging en artsen druk over de afdeling zie lopen vraag ik mij af waarom het er ineens zo anders uitziet dan toen ik aankwam. Ik denk dat ik door heb wat er is gebeurd. De tijd heeft heel eventjes stil gestaan.

Poepsoep

Ze is ziek. Echt ziek. Artsen maken onderscheid tussen “ziek” en “niet ziek.” “Niet ziek” is een snotneus als gevolg van een virusje. “Ziek” is wat deze mevrouw is. Ze heeft al twee dagen 40 graden koorts, ondanks de paracetamol die haar gegeven wordt. Ze heeft enorme buikkrampen en we denken er over om haar een klein beetje morfine te geven, want ze heeft al twee dagen niet kunnen slapen van de pijn.

1700 jaar eerder zit Ge Hong in zijn tuin. Prachtige kersenbloesem schittert in de late zomerzon en zijn kippen knabbelen van al het lekkers dat op de grond ligt. Ongegeneerd poept zijn hond midden in het gras waar de kippen grazen en hij vindt het enigszins vermakelijk dat de vogels in plaats van weg te rennen de gelegenheid gebruiken om er een warme maaltijd van te maken. Zou dat goed voor ze zijn? Het idee is geboren.

Een Engelse chef maakt in zijn schitterende keuken, die bijna op een laboratorium lijkt een consommé. En mooi woord voor soep. Omdat hij vaak in de pan kijkt heeft zijn bril iedere 30 seconden een zetje nodig om weer op zijn neus te blijven staan. Kippenvleugels worden zorgvuldig bestrooid met melkpoeder en mooi gebruind onder de gril. Wortel, selderij en ui worden met een beetje boter uitgebakken en na uren pruttelen wordt de consomme gezeefd en ingekookt. De prachtig goudbruine vloeistof wordt in een glazen theepot geschonken. Klaar voor het diner.

Terug naar onze patiente. Enige dagen geleden werd zij benauwd opgenomen. De stethoscoop liet knisperende sneeuw horen en de longfoto was één grote witte vlek. Zelfs voor de co-assistent een inkoppertje. Amoxicilline wordt, netjes volgens de standaard antibioticabeleid toegediend en het afwachten begint. Een dag later wordt de vrouw alleen maar zieker. Omdat bij een longontsteking niet meteen te zien is welke bacterie de ontsteking veroorzaakt, wordt standaard het antibioticum amoxicilline gegeven dat in de meeste gevallen werkt. Als blijkt dat het antibioticum niet aanslaat wordt een alternatief toegediend, zoals in dit geval.

Het grote voordeel van antibiotica is dat het ziekmakende bacterieën weerhoud van delen en aangezien bacterieën niet heel lang leven er daarmee voor zorgen dat ze verdwijnen. Het nadeel is dat de bacterien die wij in ons lichaam hebben die ons beschermen tegen andere lelijke bacterien ook doodt. Als dit in een ziekenhuis gebeurt en de daar vaak ronddwalende Clostridium Difficile naar binnen kruipt moet die weer verwijderd worden, met…. u raadt het al, nog meer antibiotica. Inmiddels zijn de bacterieën die ons kunnen beschermen van infecties ook wel allemaal om zeep geholpen en is het maar hopen dat niet de volgende lelijkerd naar binnen kruipt.

In het verleden is een andere manier bedacht om een darmbacterie ons lichaam uit te werken en deze manier maakt een enorme opleving door op dit moment. Het introduceren van goede bacterieën om de kwade om zeep te helpen. 1700 jaar geleden al bedacht door Ge Hong die zijn “gele soep” maakte van onder andere poep waar sommige zieke mensen baat bij hadden, in de jaren 40 gebruikt door Duitse soldaten, die bleken te genezen van dysenterie door kamelenpoep te eten. Vraag maar niet hoe ze daar achter zijn gekomen….. Vandaag onder iets hygienischer omstandigheden in de vorm van een faecestransplantatie. Middels een slangetje dat via neus en slokdarm in de maag wordt gebracht wordt een oplossing van de poep van een gezonde donor ingebracht met het idee dat de bacterieën hierin de kwade bacterien van de patient verdrijven. Er loopt op dit moment een veelbelovend onderzoek om te kijken of op deze manier mensen met de chronische darmontsteking “colitis ulcerosa” genezen kunnen worden. Wat een prachtige oplossing zou dat zijn. Geen dure medicijnen. ‘Gewoon’ aan de poepsoep.

Onze patiente krijgt nog even antibiotica, maar misschien staan onze apothekers over een paar jaar wel gele soep te koken als alternatief. Ik geef nog heel even de voorkeur aan de soep van onze Engelse chef. Wel wat duurder misschien, maar waarschijnlijk ook wel iets lekkerder.

Snijzaal

De dag is aangebroken waar we al maanden met veel verlangen naar uitkijken. Sommigen vinden het eng, maar in de lucht hangt toch overduidelijk een gevoel van spanning en nieuwsgierigheid. Met onze witte jassen aan en huiswerk in de hand zijn we er klaar voor. De snijzaal.

Het eerste dat duidelijk opvalt, is de behoorlijk lage temperatuur in de zaal waar we schoorvoetend naar binnen lopen. Het tweede dat opvalt zijn twee glimmende roestvaststalen tafels met op elk een witte zak in de vorm van een lichaam. “O… daar liggen ze al” zoemt het voorzichtig. Onze begeleider trekt een soort stoffen schort aan met een elan waaruit blijkt dat het voor hem de normaalste zaak van de wereld is en dat geeft ons het vertrouwen dat het allemaal wel goed gaat komen.

Voordat het echte werk begint krijgen we een verhelderende presentatie over de afdeling anatomie en ons practicum. Allereerst worden een paar rondzoemende geruchten ontkracht. Er zijn geen zwembaden vol met stoffelijke overschotten onder het gebouw. Er worden geen lichamen van chinezen gekocht voor ons onderwijs en het zijn geen veroordeelde criminelen. Het zijn mensen die tijdens hun leven de mooie beslissing hebben genomen om hun lichaam na hun dood na te laten aan de afdeling anatomie van ons ziekenhuis. Iets waarvoor wij door de manier waarop we met deze lichamen omgaan ons respect en onze dankbaarheid kunnen tonen.

We worden uitgenodigd om dichter naar één van de tafels toe te komen. Langzaam wordt de witte plastic zak en de daaronder liggende blauwe handdoek van de voeten van het lichaam gehaald. Er komen twee gele dunne voeten tevoorschijn. De benen, de buik, de romp en uiteindelijk het hoofd worden ontbloot en het ziet er allemaal veel minder eng uit dan we hadden gedacht. Zelfs een beetje ‘onecht.’ De kleur klopt niet, alle haren zijn verwijderd van het lichaam, maar hier ligt toch echt een overleden oude dame.

Ik kijk naar haar handen. Ze heeft dunne vingers met lange nagels. Echte oma handen. Handen die een halve eeuw geleden hebben leren schrijven…. misschien nog wel met een lei en een griffel. Handen die de hand van haar geliefde hebben vastgehouden toen ze ging trouwen. Handen waarmee zij haar eerste kindje in slaap heeft gewiegd. Handen die een roos op het graf van haar overleden man hebben gelegd en handen die vastgehouden werden toen zij zelf het tijdelijke voor het eeuwige verruilde. Wat een eer dat wij haar handen mogen gebruiken om goeie dokters te worden.

Haar lichaam is reeds voorgeprepareerd en de huid van de thorax en haar ribben worden opengeklapt als ware zij een boek. Leergierige ogen graaien de organen bij elkaar. Latijnse namen vliegen in de rondte. We zien de hepar (lever), de gaster (maag), de dunne en de dikke darm, respectievelijk het intestinum tenue en het intestinum crassum, meestal aangeduid met ‘colon’, de longen, maar ook haar hart.

De opdrachten in onze handleiding worden gretig uitgezocht. Een röntgenfoto laat de bifurcatio aortae zien, de afsplitsing van de aorta naar beide benen, en de vraag is of deze foto van voren of van achteren genomen is. Ik heb geen idee, maar een collega komt met de geniale opmerking dat de linkernier die op de foto te zien is altijd hoger ligt dan de rechter. Ik kijk naar het lichaam waar we voor staan, leg de dunne darm even opzij en zie wat hij bedoelt. Dat vergeet ik ook nooit meer.

Na afloop van het practicum worden wij verzocht de lichamen netjes toe te dekken met blauwe handdoek en witte plastic zak. Zonder twijfel helpt iedereen met het zorgvuldig instoppen van de lichamen. Het zit duidelijk wel goed met ons respect.

In de war – het vervolg

Tijdens het kijken van een berg afleveringen “Dr. House” kom ik uit bij Season 3 – Episode 18. Een vrouw wordt binnengebracht op de eerste hulp met neurologische verschijnselen. In het huis van de vrouw wordt bovenop een kast een overleden kat gevonden. Het hele huis van de vrouw wordt binnenste buiten gekeerd, maar er wordt niets bijzonders ontdekt. Hugh komt er niet uit en ook zijn artsen in opleiding niet. Uiteindelijk vindt iemand een buis onder de grond die verbonden is met een ander huis. Het andere huis is afgesloten en er zit een sticker op de deur “DANGER: premises have been fumigated with Methyl Bromide – no admittance for 72 hours”

“Nooooooooit”

Ik vraag me meteen af of onze professor nog tijd gehad heeft om te kijken of er nieuwe feiten te ontdekken waren in de casus, of dat de oneindige drukte in het ziekenhuis de herinneringen overspoeld heeft met de honderden casussen die er na kwamen. Volgens mij is het een man die alles onthoudt van elke patient die hij ooit gezien heeft, dus ik waag het er op.

In het ergste geval heeft hij geen tijd en hoor ik niks, maar in het kader van “Niet schieten is altijd mis” lijkt het mij niet ongepast om onze professor te mailen met de vraag of er nog extra informatie naar boven is gekomen in deze casus. De wereldberoemde Internist van “Princeton Plainsboro” geeft ook niet op tot hij het antwoord weet en het lijkt mij dan ook niks voor een echte internist in een bestaand ziekenhuis om dat wel te doen.

Binnen een half uur krijg ik een bijzonder leuke mail terug. Onze professor waardeert de mail en geeft aan dat één van de beste tips die hij ooit kreeg om een betere arts te worden is op te schrijven wat je mee maakt. “Goed bezig” kan ik alleen maar concluderen. Wel geeft hij mij een professionele kanttekening. Eentje waar ik zeker al aan gedacht had en ook met de grootste zorg rekening mee hield, maar die in dit geval toch misschien nog net iets verder getrokken moet worden.

De informatie die we over patienten krijgen is vertrouwelijk. Uiteraard naam en geboortedatum, maar de basis van het vertrouwelijk houden van informatie is “Herleidbaarheid.” Is het verhaal misschien door iemand die de patient kent te herkennen. Dat mag natuurlijk niet de bedoeling zijn. Een optie is de patient om toestemming vragen, maar dat wordt lastig in dit geval. Of het verhaal zo schrijven dat de strekking gelijk blijft, maar de details zo veranderd zijn dat het echt niet meer te herleiden is tot een persoon. De wijze man heeft volkomen gelijk en ik ga om te beginnen het verhaal maar even herschrijven.

Hoewel onze internist vertelt dat de casus ook zo af en toe bij hem boven komt drijven in zijn bewustzijn, is er nooit een definitieve oplossing gevonden. Waarschijnlijk zal dat ook niet meer gebeuren, want achteraf een vergiftiging vaststellen is niet mogelijk als de toxines het bloed al uit zijn. Nu moet ik alleen wel een beetje oppassen dat er als er een patient op de spoedeisende eerste hulp wordt binnengebracht om niet automatisch te roepen: “Effe Broom prikken”, want een hypothese blijft natuurlijk een hypothese tot ie bewezen is.

MS

Ik hoor een hoop gelach als ik de kamer nader waar mijn volgende patiënt moet liggen. Een vrolijke man zit in een stoel en er staan twee verpleegkundigen tegenover hem. “Nou mijnheer, we moeten even beslissen of u eerst naar het toilet wilt of eerst douchen.” “Ja, dat wil ik wel, maar dat gaat moeilijk hoor, want ik heb MS.” De man lacht en ik verbaas mij licht over de vrolijkheid die hij ten toon spreidt.

De man kijkt mij vriendelijk aan als ik aankondig wat bloed bij hem af te willen nemen. “Ow, nou dat kan er ook nog wel bij hoor.. ha ha….” Het doet mij goed te zien dat deze man zijn vreselijke ziekte met humor kan relativeren.

Terwijl ik mijn spulletjes klaarleg kijken de twee verpleegkundigen bezorgd naar de voet van de man die er behoorlijk donkerblauw uitziet. “Was zijn voet gisteren ook al zo blauw?” vraagt de ene verpleegkundige aan de andere. “Nou, zo blauw was ie volgens mij niet hoor.” “Mijnheer, waarom is uw voet zo blauw?” “Nou, misschien had ie niet zo’n zin om rood te zijn vandaag ha ha.” Ik kan er wel om lachen, maar de verpleegkundigen zijn volgens mij niet zo blij met de adremheid van hun patiënt.

Het prikken gaat wat lastig omdat de man niet heel goed stil kan zitten. Hij verontschuldigd zich voor zijn bewegingen en dat raakt mij best wel, want hij kan er natuurlijk helemaal niets aan doen. “Nou mijnheer, ik snap ook wel dat u er zelf niet voor gekozen heeft, dus als u het niet erg vindt als ik uw arm even stil hou is het geen enkel probleem hoor.”

De man blijft lachen als ik mijn naaldje in zijn arm prik. Tot mijn verbazing komt er geen druppel bloed in mijn buisje. Balen zeg, deze man heeft het al zo moeilijk…..

“Nou, dan probeer je die andere arm toch gewoon, ik heb er twee hoor ha ha!” Jeetje, als alle patiënten eens zo relaxt waren, dan zou het werk een stuk prettiger zijn. De verpleegkundigen kijken toe hoe ik de mouw van zijn rechterarm opstroop. Zijn aderen zijn behoorlijk dik en liggen niet heel diep. Terwijl ik een ader op zijn rechterarm betast vraag ik mij nog af waarom het niet gelukt is in de andere arm.

Het bloed afnemen uit zijn rechterarm gaat feilloos en hoewel de man wat druk is ben ik blij met zijn opgewektheid. “Mag ik u vragen wat u voor werk doet mijnheer?” “Ik was leraar op een middelbare school” antwoordt de man. Ik doe een gok en vraag hem “Bent u geschiedenisleraar?” Als de man zegt: “Ja, dat klopt” vermoed ik dat hij mij in de maling zit te nemen, maar mijn verbaasde “Echt?” beantwoordt hij met “Ja, ik gaf geschiedenis.”

Inmiddels al weer klaar met bloedafnemen bedenk ik mij dat deze man waarschijnlijk honderden kinderen verteld heeft over de tweede wereldoorlog, over de Kelten en de Batavieren, over de Eufraat en de Tigris en dat hij nu in een rolstoel met een veel te blauwe voet met de verpleging moet overleggen of hij eerst naar het toilet geholpen gaat worden of eerst wil douchen. Ik word er een klein beetje droevig van, maar deze man niet. Hij blijft lachen en grapjes maken. Misschien wel de enige manier om met zo’n belachelijke ziekte om te gaan.

Inmiddels zijn de onderhandelingen tussen de man en de verpleegkundigen al weer in volle gang. Ik zie een man met een vreselijke ziekte die het allemaal heel positief bekijkt en twee verpleegkundigen die onder enorme tijdsdruk hun geduld beginnen te verliezen omdat er nog zo veel andere patiënten geholpen moeten worden. Feilloos wordt hier voor mij het resultaat van ‘de bezuinigingen in de gezondheidszorg’ geïllustreerd.

Met heel veel begrip zal ik de volgende verpleegkundigenstaking op televisie bekijken. Wat zou het goed zijn om politici die beslissen over de zorgbudgetten eens een paar maanden mee te laten lopen met deze goedbedoelende verpleegkundigen. Dan zullen ze misschien eindelijk begrijpen dat er ook grenzen zijn van het geduld van mensen die het beste voor hebben met hun zieke medemens.

Acrobaat

Een jonge man stapt kordaat mijn prikhokje binnen. Hij zegt zijn voornaam en geeft mij een stevige hand. Normaal gesproken geven we geen handen op de bloedafnamepoli, maar als het voor de patiënt mogelijk een psychische barrière doorbreekt heb ik een keertje extra mijn handen wassen er wel voor over. De blik van deze jongen is zo vriendelijk dat ik de automatische reactie om zijn hand te beantwoorden waarschijnlijk niet eens had kunnen tegenhouden.

Zijn licht zenuwachtige houding verraad zijn gevoel al voordat hij zegt: “Het is natuurlijk psychisch, maar ik heb het niet zo op naalden.” Naar waarheid kan ik hem zeggen dat ik er net zo over denk en dat het helemaal niet vreemd is dat hij niet staat te springen om zijn bloed af te laten nemen.

Zijn onderarmen zijn flink gespierd en zijn aderen liggen er als dikke blauwe kabels bovenop. “Ik denk niet dat het heel moeilijk gaat worden hoor….” zeg ik als ik het lijnenspel op zijn onderarmen aanschouw. Pro forma leg ik mijn stuwband om zijn bovenarm, maar het is nauwelijks nodig.

“Ben je soms drummer of bergbeklimmer” vraag ik hem als ik de spieren zie opzwellen op het moment dat hij een vuist maakt. “Hoezo?” vraagt hij. Met “Drummers en bergbeklimmers hebben altijd van die enorme onderarmen doordat ze hun vingers zo veel gebruiken” verklaar ik mijn vraag. “Nee, ik ben theatermaker” is zijn antwoord. Misschien heb je wel eens van ons gehoord. We maken theater met acrobatiek en muziek. De naam van de groep die hij noemt komt me bekend voor, maar ik kan me niet herinneren dat ik hun show gezien heb.

Met “Zijn het dikke naalden die je gebruikt?” brengt hij mij terug in de realiteit. “We gebruiken over het algemeen twee soorten naalden, deze groene en deze……” Ik zie dat mijn doosje met zwarte naalden leeg is. “Momentje, ik ga even een doosje dunnere naalden voor je halen.”

Met een doos nieuwe zwarte naalden leg ik uit dat deze iets dunner zijn dan de groene. De groene naalden zijn nul komma acht millimeter dik en de zwarte een tiende millimeter dunner. “Ga ik het verschil voelen?” vraagt hij mij en ik moet naar waarheid antwoorden dat ik geen idee heb, maar dat als het psychisch voor hem werkt ik met alle liefde een zwarte naald gebruik in plaats van een groene. “Het gaat ietsje langer duren omdat het bloed wat minder snel door de dunnere naald stroomt.”

Terwijl hij de plaatjes op de muur van het prikhokje bestudeert vul ik de buisjes met gemak. Ondertussen vertelt hij de reden voor de bloedafname. Het is een indrukwekkend verhaal en ik besef mij weer hoe rijk ik mij moet prijzen met mijn gezondheid en hoop van harte dat deze vriendelijke jonge man maar snel mag genezen.

Net als ik klaar ben steekt een collega haar vrolijke gezicht om het hoekje en vraagt hoe het gaat. “We hebben een beroemdheid op de poli” zeg ik haar en zonder twijfel wordt een telefoon opgetrommeld die foto’s kan maken.

Een klein beetje beschaamd vraag ik de jonge man of hij het niet vervelend vindt dat we met hem op de foto willen. Heel overtuigend laat hij merken dat het geen enkel probleem voor hem is en komt naast me staan om te poseren. Ach, hij zal na een optreden ook wel met Jan en alleman op de foto moeten, “Dan kunnen deze twee wannabe vampiertjes er ook nog wel bij” zal hij waarschijnlijk denken.

We praten nog een beetje na met z’n drieën en de sfeer is zo leuk dat het me niet zou hebben verbaasd als er een vierde collega met een paar biertjes bij zou komen staan. Helaas zit dat er niet in vandaag en onze acrobaat verlaat met een brede glimlach de poli.

Mijn collega en ik spreken af dat we ’s avonds gelijk op Internet gaan kijken waar zijn theatergroep speelt. Dat zou misschien nog best wel een leuk poli-uitje kunnen worden! We houden het in gedachten en als we een prikbord (pun intended) gaan maken met alle beroemdheden die we hebben ‘geholpen’ op de poli dan gaan deze foto’s zeker niet ontbreken. Hopelijk wordt hij snel weer beter en kunnen we weer volop van zijn theatertalent genieten!

British

Met een zeldzaam mooi Engels accent word ik verwelkomd met de woorden “You’re going to hurt me, are you?” In Amsterdam wordt wel eens gezegd bij een glas geweldig lekkere wijn: “Alsof er een engeltje over je tong piest.” Ik krijg het gevoel dat een engeltje over mijn trommelvlies aait als ik zo’n fijn Engels accent hoor.

“It’s definitely not my intention to hurt you, but your doctor has requested me to draw a little blood, which unfortunately we cannot do without a needle.” “But I will make sure that the whole procedure will be as painless as possible.” Mijn woorden geven haar vertrouwen, want ze legt haar linkerarm al open voor ik bij het bed ben. Wel krijg ik nog even de waarschuwing mee: “It’s very difficult they say, they had to stick me six times the last time they wanted to draw blood.”
“Well, that five too many isn’t it? Let’s have a look and see if we can do it on the first try….”

Haar rechterarm zit in een soort brace. “You hurt your arm, did you?”
“I was burned…… My house was on fire and I was in the top of the building, I have been unconscious for two weeks and woke up in the hospital.”
“Goodness me…. it’s only your arm, is it?”
“Yes, fortunately, a few spots here and there, but my arm is the worst.”
“Does it hurt a lot?”
“It does hurt, but it’s bearable.”

Intussen speur ik haar arm af voor een vaatje, maar het is dun gezaaid. Aan de buitenkant van haar linkerarm zit een klein vaatje, maar het is wel mooi zacht, dus ik denk dat ik daar wel wat uit kan peuteren.

“Life is full of surprises….. Two years ago I lost my husband, we have lived in that house for 26 years and now it’s all gone….” Met oprechte medeleven in mijn ogen kijk ik haar aan. “That’s awful….., that’s too much bad luck in too little time isn’t it?” De vrouw kijkt me aan met een trieste blik. “You are so kind….. that’s very nice if you want to cry….” Ze legt haar hand op de mijne. Niet op een jongen meisje manier, maar op een moeder zoon manier en op dit moment is dat helemaal prima. Haar ogen worden vochtig en ze kijkt een beetje beschaamd. “Owwww, that’s alright, after what you’ve been through you definitely earned the right to shed a few tears.” Een dankbare glimlach komt mijn kant op. Man verloren, huis afgebrand, wakker worden in een ziekenhuis met brandwonden en maar hopen dat je nog terug kan in je huis als je wordt ontslagen. Heftig… to say the least.

Intussen heb ik het halve millimeter dikke vaatje aangeprikt met m’n blauwe vleugelnaaldje en we kijken allebei opgelucht naar het slangetje dat zich snel met bloed vult. “That’s going well, is it?”

“Definitely, but let’s celebrate after all the tubes have been filled… you never know.” Vier ogen kijken geconcentreerd het bloed de buisjes in. Ze zijn vol. Kunstwerkje…. al zeg ik het zelf.

“Will they rebuild your house, or will you move somewhere else?”
“I’m not sure, I’ve heard they will sell the house instead of renovating it…. I’m afraid they’re going to put me in an old people home…” Ik check nog even haar geboortedatum. “But you’re not even sixty yet, that’s way too young to play silly card games and join a bingo every Friday afternoon, don’t you think?” Voor het eerst sinds onze ontmoeting lacht de vrouw hardop. Hoe ze het voor elkaar krijgt weet ik niet, maar zelfs haar lach heeft een Engels accent. “No, you’re right, I sure hope they’ll find me a new home.” “I have been thinking of going back to England, you know.” “But I rarely go there anymore because I’m afraid to fly.”
“Really? It’s not much more than a fourty minutes bus ride through the sky, isn’t it?”
“That’s true… it’s not that I’m afraid of falling out of the sky… it just that there’s nothing to hold on to when the plane crashed down…” “And the bus through the tunnel takes hours…” “I did plan to travel by plane a while ago… bought the tickets and all, but five minutes before the plane left I became very ill and I couldn’t get on board.” “Ironic, isn’t it.”

“Well, I certainly hope they will be able to rebuild your house and we are in Amsterdam after all, so you will probably be put first in line for a new house.” “After so much bad luck you are entitled to get a nice new place, don’t you think?” Ze is het met me eens. Met een “Bye love” groet ze mij zo Engels als mogelijk is. Ik besluit dat “Bye darling” op z’n plaats is en dat wordt gewaardeerd.

Flirt

Inmiddels zie ik al of iemand zenuwachtig is op het moment dat de eerste stap in m’n prikkabine gezet is. Ze is zenuwachtig. Haar vriend helpt niet erg door grapjes te maken om zijn eigen zenuwen niet te hoeven tonen. “Nou, gebruik je dikste naald maar hoor ha ha” is de reden dat de woorden “lompe boer” in mijn gedachten naar boven komen drijven. In tegenstelling tot het bange meisje. Zij heeft duidelijk haar afkomst in Zuid Amerika en geeft haar gevoel alle ruimte. “Ik vind het echt doodeng dit…..” is alles wat ze zegt, maar haar lichaamstaal geeft in alle toonsoorten aan dat ze er echt geen zin in heeft. Armen gekruist voor zich, hoofd van mij afgewend, benen strak tegen elkaar geklemd, terwijl haar vriend haar bemoedigend toespreekt met de subtiele woorden “Bange schijtert, het is maar een prikje.” Het refrein van het liedje getiteld “Lul” van “Geen familie” begint in mijn hoofd te spelen. Niks van aantrekken, even een beetje gerust proberen te stellen.

“Joh, nou, dan doen we het toch gewoon niet…..” wordt beantwoord met een heel verbaasde blik. Die optie was nog niet bij haar opgekomen. “Ik gooi dit briefje weg, je staat op en je gaat lekker naar huis, is dat wat?” Ze kijkt nog heel even verbaasd, maar dan keert de ernst terug in haar ogen. “Dit moet even hoor, het is erg belangrijk, kijk maar.” Ze wijst naar de letters “IVF” op het blaadje dat ze me gegeven heeft. “Ja, ik snap het” zeg ik met mijn lippen strak op elkaar geklemd en serieus knikkend. “Maar eh… wat vind je eigenlijk eng?” “Is het het prikje, of het kleine beetje bloed dat we in een buisje stoppen, of vind je witte jassen eng? Want dat is makkelijk op te lossen hoor!” Er kan een klein glimlachje af en ik zie dat ze haar armen voorzichtig uit elkaar haalt en met haar ellebogen op de leuning begint te steunen. “Een goed begin” denk ik bij mezelf.

“Nou, weet je wat, we gaan gewoon eerst even kijken wat er precies moet gebeuren en dan zien we wel of we gaan prikken of niet.” Ze zakt iets verder onderuit en leunt nu met haar volle onderarmen op de leuningen van de prikstoel. “We komen er wel….”

Als ik alle formulieren bekijk zie ik dat er een aanvraag voor het transfusielab bij zit, maar op de stickervelletjes niet de bijbehorende buisjes staan vernoemd. Gelukkig komt er net een collega langs die al heel lang op de poli werkt en ik vraag het haar. “Ja, dat zijn ze vergeten, wacht maar even, ik loop wel even naar voren.” “Ha ha, ze moeten nog tien buisjes extra hebben” zegt de lomperik die onderuit gezakt op het krukje in de prikkabine zit. Ineens begrijp ik waarom ze voor IVF heeft gekozen. Wat een….. Ah, daar is mijn collega weer.

“Nou, er moeten twee buisjes bij hoor.” “Ach joh, daar merk je niks van, een buisje meer of minder maakt niet uit, want ik prik toch maar één keer.” Ik pak mijn stuwband en begin op de linkeronderarm van de jonge dame te voelen naar een adertje. Hij ligt een beetje diep, maar is niet zo heel dun, dus ik denk dat het met een beetje mazzel wel moet lukken. Ineens buigt het meisje zich naar voren en fluistert: “Ik vind dat je zulke mooie ogen hebt.” Haar vriend is nog druk aan het praten met mijn collega en heeft het niet gehoord. Ik kijk op van haar arm en kijk recht in twee prachtige reebruine Zuid Amerikaanse ogen. “Ik vind jouw ogen ook heel mooi, maar eh…” zeg ik terwijl ik mijn hoofd een beetje naar voren kantel en onder mijn wenkbrauwen naar haar vriend kijk die niets in de gaten heeft. Ze glimlacht, ik krijg een knipoog en ze leunt weer terug in de stoel. Ik kan me heel even geen moment herinneren dat ik het belangrijker vond dan nu om raak te prikken.

Het groene vleugelnaaldje vindt zijn weg feilloos en terwijl het meisje de andere kant op kijkt vullen de buisjes zich met gemak. Manlief babbelt nog steeds vrolijk met mijn collega en ik denk bij mezelf “Je kunt toch op z’n minst even haar hand vasthouden…. Lul…..” “Zooooow, de laatste al weer, watje er op en het is gepiept. Goed gedaan joh!” Ik heb zelden iemand zo opgelucht zien kijken. “Zo, ben je leeg?” wordt door ons beide even professioneel genegeerd. Ik haal een bekertje limonade voor de dappere meid en dat wordt gewaardeerd. “O? En ik dan?” negeren we opnieuw. Als ze de prikkabine verlaat kijkt ze nog een keer terug en haar knipoog beantwoord ik maar even met een glimlach en een knikje. IVF… Je kunt natuurlijk ook gewoon een vriendje *met* ballen zoeken.

Houdgreep

We zijn met een fijn team aan het werk op de afdeling interne geneeskunde als mijn collega vraagt of ik even wil kijken naar één van de patiënten op het stapeltje prikopdrachten. Een andere collega meldt al dat het een klus gaat worden, want “gisteren had ik die ook en het was niet te doen.” “Laten we samen even gaan kijken dan, het klinkt alsof dat wel nodig gaat zijn”

Er ligt een enorme dame in een groot warmtebed. Hoe het bed precies warm gehouden wordt is niet helemaal duidelijk, maar het is bloedheet in de kamer. De dame in kwestie reageert totaal niet als we aankondigen dat we wat bloed komen afnemen. Er zit wat slijm op haar mond en ze sputtert met iedere ademhaling. Echt heel fris ziet het er niet uit, maar ja, dat heb je in een ziekenhuis. We kijken elkaar aan met een blik van “Wat moeten we hier nou weer mee.” Maar ik heb het gevoel dat we er allebei de humor wel van in kunnen zien en het is op z’n minst een goeie uitdaging.

Onder het laken komt een enorme arm tevoorschijn. Zo groot dat het hopeloos lijkt om daar een adertje in te vinden, maar de schijn kan altijd bedriegen. In negatieve, maar ook in positieve zin, dus gewoon maar even kijken.

Het kost wat moeite om de arm te strekken. Mevrouw heeft onbewust niet zo’n zin om mee te werken. En ik kan hoor ook eigenlijk helemaal geen ongelijk geven. Een arm strekken die niet mee wil werken blijkt met een beheerste constante kracht vaak toch wel te gaan en zo ook deze keer.

De stuwband is net lang genoeg om om de gigantische bovenarm te passen en ik krijg bijna medelijden met het arme ding. Even flink poetsen met alcohol en voelen maar….. Helemaal niks…. Binnenkant elleboog… niks… haar hand is ook groot en dik en de huid voelt aan als leer. Er ligt een vaatje op, maar die is heel erg dun en we zullen veel kracht moeten zetten om door haar huid heen te komen met het risico dat de ader daardoor wegrolt.

Na een paar minuutjes voelen van ons beide ontdekken we een ader die behoorlijk diep ligt aan de zijkant van haar onderarm, maar zo te voelen wel redelijk zacht is.

Mijn collega heeft in no-time een vleugelnaaldje tevoorschijn getoverd. Omdat onze andere collega al zei dat ze bij het prikken waarschijnlijk haar arm gaat terug trekken spreken we af dat ik haar arm in een houdgreep neem en het prikken doe, zodat mijn collega de buisjes kan wisselen als ik raak prik.

Onder haar elleboog hebben we handdoekjes gelegd zodat die in elk geval niet meer verder kan strekken. Haar pols hou ik gebogen en klem haar hand vast tussen mijn rechter elleboog en mijn buik om wegtrekken tegen te gaan. Met mijn onderarm druk ik op die van de vrouw zodat ze de arm niet kan buigen. Het lijkt meer op Jiu Jitsu dan op bloedprikken, maar dat is even nodig nu.

Ik voel nog een paar keer en met een welgemikte prik verdwijnt op een klein stukje na de naald in haar arm. De vrouw probeert haar arm terug te trekken, maar ik kan hem gelukkig tegenhouden. Tot onze blijdschap schiet er wat bloed in het naaldje en in rap tempo wisselt mijn collega de buisjes die zich goed vullen. Niet bewegen… niet bewegen… niet bewegen… Als het laatste buisje gevuld is slaken we allebei een zucht van verlichting. Wat een operatie zeg……

Blij met ons succes lopen we terug naar ons prikkarretje. Onderweg kijkt een arts ons bijna smekend aan en vraagt: “En? Is het gelukt?” “Ja hoor, we hebben het voor elkaar.” “O, echt? O, dat is fantastisch zeg…” Blijkbaar hebben ze eerder moeite gehad met deze dame.

Bij onze kar zegt mijn collega “Hebben we eigenlijk wel haar geboortedatum gecontroleerd? Ze kon natuurlijk helemaal niks zeggen” “Ow, nee, goed dat je er aan denkt.” We vragen het even aan de arts die lachend zegt: “Nouw, we hebben er maar eentje die er zo bij ligt hoor, da’s echt de vrouw op jullie opdracht. Fijn dat het gelukt is trouwens.” “Zo, die is echt blij dat ze zelf niet hoeft te worstelen met die enorme vrouw!”

Zo vroeg in de ochtend hebben we al weer een leuk avontuur achter de rug als we snel naar de volgende afdeling lopen waar onze collega’s al naar toe zijn met de prikkarretjes. 1-0 voor de eredivisie vampiertjes.