Oogje

Het programma is zo ontzettend vol, dat de beste strategie om lekker mee te lopen met de co-schappen blijkt te zijn: “Zorg dat je op tijd bent. Zorg dat je ongeveer weet waar het over gaat. Stel af en toe een intelligente vraag. In het geval dat je het antwoord weet op een vraag die gesteld wordt: geef antwoord, maar wel na een gepaste pauze om anderen ook een kans te geven hun ‘antwoord van de dag’ te geven. En…. geef ‘credit where credit is due’ als iemand echt gewoon een heel goed antwoord geeft.” Of zoals een van mijn medestudenten met de briljante samenvatting kwam: “Je moet gewoon een beetje cute doen.”

Dus daar zitten we met onze fijne groep. Netjes op tijd, een beetje voorbereid en met een bijzonder goed humeur. Komt goed met deze groep. Leuke mensen die elkaar zonder twijfel bijvallen als het een beetje moeilijk wordt, maar ook alles weten te relativeren als het ongezond serieus dreigt te worden. Dag 2 van oogheelkunde.

De dag begint met een vriendelijke oogarts in opleiding die het met zijn presentatie voor elkaar krijgt ons allemaal ‘in de stemming’ te brengen voor de poli. Aan de ene kant laat hij duidelijk zien welke basiskennis van ons verwacht wordt en aan de andere kant weet hij ons gerust te stellen dat ‘ze’ heus wel weten dat we er nog de ballen verstand van hebben. Iets anders verwoord, maar het komt er wel op neer.

Daarna krijgen we les van een optometriste, die feilloos uitlegt waarom een baby soms scheel kijkt en dat we dat zeker niet mogen afdoen met ‘gaat wel over’ omdat er best heftige oorzaken aan ten grondslag kunnen liggen. We krijgen nog een keer alle anatomie van het oog over ons heen, en dat is geen overbodige luxe, want hoewel er al aardig iets begint te dagen zijn er nog best veel dingen waarvan we de klepel hebben horen luiden, maar de klok nog niet hebben gezien. Of zo iets.

In de middag wordt onze groep in tweeen verdeeld en gaat het eerste deel oefenen met de ‘spleetlamp’ en het andere deel naar het wetlab. Onderweg naar de spleetlamp vraag ik onze arts wat er nou precies zo ‘wet’ is aan het ‘wetlab’ en ik krijg een antwoord dat ik niet aan zag komen: ‘varkensogen’.
Op mijn ietwat verbaasde herhaling van zijn antwoord wordt ik aangekeken met een blik die zo veel zegt als “Je weet toch wel wat een varkensoog is?”
Dat weet ik inderdaad, maar ik wist dus niet dat het AMC ook een afdeling diergeneeskunde had…

De spleetlamp blijkt een horizontale microscoop waarmee we in de ogen van een groepsgenootje mogen kijken. Het is ongelovelijk mooi. De levende iris is mooier dan elk schilderij dat ik ooit in een museum gezien heb. Ik zou er uren naar kunnen kijken, zonder me te vervelen. Wat een kunstwerkje dat menselijk lichaam. Maar we moeten door. Het volgende station van de co-schap trein wacht al weer op ons.

We worden opgehaald en door een doolhof geleid dat ontworpen lijkt om er zeker van te zijn dat we de weg nooit meer terug kunnen vinden. De instructrice zegt zachtjes iets over pathologie en obductie en hoewel we goedgeluimd door de gangen lopen, hebben we wel door dat we op een plek terecht gaan komen die toch wel een beetje bijzonder gaat zijn. Obducties zijn in principe heel normaal, maar als je dan op de plaats komt waar het daadwerkelijk gebeurt voelt het toch een beetje raar.

Als we bijna bij onze bestemming zijn lopen we langs kamers met roestvast stalen tafels met gaatjes er in en we ruiken de geur van… snijzaal. Niet echt te vergelijken met andere geuren. Olijven komen soms een beetje in de buurt. Soms ruik je het een beetje als je een stukje vlees van de slager uitpakt, maar de geur van snijzaal is uniek.

Eerst krijgen we een lesje hechten, aangekondigd met de achteloze opmerking “Ja, we gaan de ogen ook weer dichtmaken straks.” OK, we gaan dus een oog open maken. Joh…. Nooit gedaan.

We zien dat de hechttechnieken voor een varkensoog dezelfde zijn als die we de afgelopen weken bij dermatologie gezien hebben en we mogen deze ook zelf oefenen. Eerst op een soort theedoekje.

Terwijl we met veel aandacht en knutselvlijt bezig zijn het door onszelf aangebrachtte trauma te repareren van de theedoek worden er voor ons omgekeerde kartonnen nierschaaltjes neergezet met daarop een oog gespeld met de opdracht om een sneetje te maken in de sclera en die te hechten.

De naam sclera betekent ‘hard’ en het wordt al snel duidelijk waarom het zo heet. Er is niet doorheen te komen. Het kleine mesje waarmee we mogen snijden gaat moeiteloos door het karton waar het oog op ligt, maar het oog heeft er maling aan. Het kost flink wat moeite om er een sneetje in te krijgen, maar uiteindelijk lukt het. Een zwartkleurig sneetje waar wat doorzichtig spul door naar buiten komt, het glasvocht uit het corpus vitreum.

Het blijkt niet makkelijk om de hechtnaald door de sclera te krijgen, maar we worden gelukkig gerustgesteld dat we dit waarschijnlijk niet hoeven te doen tijdens ons co-schap…. Wat dan ook weer heel fijn is voor onze patienten. Het lukt wel. En met gepaste trots hebben we uiteindelijk allemaal een oogje gehecht.

Na het hechten mogen we een snede maken in de cornea en de ooglens verwijderen uit het oog. Na flink wat snijwerk en wat druk op het oog floept er een helder doorzichtig bolletje uit het oog. Het is verrassend stevig, maar het blijkt ook dat als je er in prikt dat het vrij snel leegloopt, waarmee we nog een beetje meer respect hebben gekregen voor de chirurgen die dit bij levende mensen doen.

Nadat we de ooglens verwijderd hebben mogen we op zoek naar de nervus opticus. Een zenuw ter grootte van een dikke spaghettisliert die via de achterkant van het oog verbonden is met onze hersenen. Mijn vraag of dit net zo groot is als bij een mens wordt beantwoord met “Ja hoor, een varken is qua anatomie eigenlijk gewoon een horizontaal mens.” En dat is best een rake vergelijking als je bedenkt dat sommige mensen zich gedragen als een verticaal varken…. Wat meer zegt over de mens dan over het varken, want die beessies zijn eigenlijk heel lief…. zeker als ze klein zijn.

Opnieuw dringt de tijd en we mogen ons al weer ontdoen van obductieschort, handschoenen, haarnet en schoenbeschermers. De dag is al weer voorbij….

Ik denk nog even terug aan ‘mijn’ varkensoogje en ben dankbaar dat ik er van heb mogen leren. Vanavond eet ik een vegetarische goulash van paddestoelen uit het nieuwe boek van Jamie Oliver. En het smaakt uitstekend. Dankjewel varkentje, ik hoop dat je een mooi leven hebt gehad.

De Dermatoloog

Binnen de geneeskunde kent elke arts z’n prototype. De orthopedisch chirurg die vreselijk sterk is, als een malle kan schroeven en de ballen verstand heeft van farmacologie. De internist die eigenlijk veel te slim is om arts te zijn, maar het zo leuk vond en de grootste mysteries van het menselijk lichaam oplost tussen de lunch en de eerste middagkoffie door. En natuurlijk de neuroloog die met een paar welgemikte vragen en tikken van z’n hamertje met een marge van 3 millimeter kan zeggen waar de afwijking zit.

En nu heb ik de dermatoloog ontmoet.

De dermatoloog is snel. Heel snel. Binnen een minuut is je lichaam tot op de kleinste pukkel geinspecteerd. Het meeste is zonneschade (actinische keratose) en heel af en toe beginnen de oogjes van de dermatoloog te glimmen als er een basaal cel carcinoom ontdekt wordt. De patient wordt gerust gesteld met de woorden “Ja, het is inderdaad kanker, maar het is niet zo erg, dat halen we gewoon even weg”, waarop de patient zich verbaasd afvraagt “OK, dus ik heb kanker… maar het is niet erg?”

Af en toe vindt de dermatoloog een plekje dat niet helemaal ABCD is (asymmetrisch, niet scherp begrend, verschillende kleurtjes en een diameter die net iets te groot is)  en dat is eigenlijk het enige moment dat er wat ernst in het gezicht verschijnt, dat meestal met een brede glimlach geruststellend kan zeggen dat het geen kwaad kan.

Die plek die net effe anders is, waar iedere ander mens van zou zeggen “Ja, gewoon een plekkie.” Dat plekje dat voor het ongeoefende oog niet te onderscheiden is van elke andere moedervlek of wrat, die plek is het melanoom… Eigenlijk de enige pukkel waar je bang voor hoeft te zijn. Deze pukkel is praktisch de enige die kan metastaseren (uitzaaien) en daarmee dodelijk zijn. De belangrijkste reden om het advies van de dermatoloog op te volgen als zij zegt “U moet zich insmeren met een zonnebrandcreme, in elk geval factor 30 of hoger.” Want die zon, die prachtige zon, die onze aarde op temperatuur houdt, die ons energie geeft om onze Tesla’s op te laden en die onze lekkere groenten doet groeien. Die zon zorgt er ook voor dat we huidkanker krijgen.

Verder is de dermatoloog echt de manus van alles van de geneeskunde. Een van de weinige specialisten die echt alles mag doen. Ze ontvangt patienten die doorverwezen zijn door de huisarts en controleert de pukkels waar de huisarts van dacht “Ik weet het niet helemaal zeker en ik wil me er niet aan branden, dus doorverwijzen die hap.” Vervolgens, als de dermatoloog inderdaad iets vindt dat niet helemaal pluis is, mag hij de plek ook wegopereren. Met een blauwe stift wordt de onpluize plek veranderd in een soort oogje dat met een precisie waar een horlogemaker jaloers op zou zijn kunstig wordt weggesneden. De gapende wond die overblijft wordt in no-time dichtgemaakt met wat welgemikte hechtingen en de patient staat binnen een kwartiertje weer buiten. Genezen. Een tot twee weken later mag de dermatoloog de hechtingen die hij zo mooi geborduurd heeft weer verwijderen en de patient volledig APK weer naar huis sturen.

Het is mij nog redelijk een raadsel hoe “op zicht” precies die ene verkeerde pukkel er uit gepikt wordt en de rest ongemoeid wordt gelaten. Als je het de dermatoloog zelf vraagt komt het antwoord neer op “gewoon heel veel zien.” Maar we hebben maar drie weken. Daarin kunnen we niet genoeg papels, nodi, vesikels, naevi, maculae, pustula’s en plaques zien om dat in de vingers te krijgen.

Maar een ding is wel zeker. Na het co-schap dermatologie zal een pukkel nooit meer zijn wat het ooit geweest is.

Treponema Pallidum

Het is een enorme sneltrein, maar gelukkig wel eerste klas, die co-schappen. Alle dermatologische zalmneusjes van het AMC komen langs en kosten nog moeite wordt gespaard om het onderwijs zo leuk mogelijk te maken. Met af en toe een schoolreisje.

Vandaag mag ik langs de GGD. De SOA poli op het Weesperplein. Alle vieze plaatjes in de boeken nog een keer bekeken, want het zou lullig, excusez le mot, zijn, als mij gevraagd wordt wat het is en ik roep het verkeerde. Geheel overbodig achteraf gezien, want de hele consultvoering blijkt door de verpleegkundigen aldaar te worden gedaan. En die hebben zo een vlotte babbel dat er met moeite een woord tussen te krijgen is.

Na een vriendelijk doch ietwat stug onthaal van de beveiliging mag ik naar binnen en krijg het plan voor mijn middag opgelezen. Eerst met Dana van het lab een rondleiding, daarna met verpleegkundige Cecille consulten doen en aan het eind van de middag met Mark in de artsenkamer… Ze hebben de planning aardig op orde daar.

Dana haalt mij op en neemt me mee naar wat zij liefkozend “Ons labje” noemt. Mijn verwachting was een gigantisch lab met allerlei diagnostische straten voor alle beestjes en plantjes die het gemunt hebben op onze zachte plekjes, maar niets blijkt minder waar. Twee microscopen, een centrifuge, een RNA uitpluismachine en een soort couveuse met bakjes gekleurde vloeistoffen om Gram preparaatjes te maken. That’s it. Mijn verbazing wordt gepareerd met “De rest staat boven.” Wat er “boven” precies staat wordt me niet duidelijk, maar wel dat het regionaal is en gecertficeerd…. Whatever that means. O well, je kan niet alles zien op zo’n dag.

Met veel enthousiasme vertellen Dana en haar collega’s over hun werk. Hoe leuk die trichomonas een trilstaartje heeft en wat een fotomodel zo’n Pthirus Pubis wel niet is. Heerlijk om mensen zo glimmend te zien vertellen over hun belangrijke werk. Het blijkt dat in ‘ons labje’ de sneldiagnostiek wordt gedaan. De uitkomsten waar patienten op kunnen wachten in de wachtkamer en dat de uitslagen van de tests die “boven” gedaan worden via Internet op te vragen zijn door de patienten. Na een mooie reeks preparaten onder de microscoop bekeken te hebben, wordt ik naar de artsenkamer gebracht voor de rest van het programma.

Nog voor hij zich heeft voorgesteld zegt dokter Mark enthousiast “Joh! Je valt met je neus in de boter, we hebben er eentje onder de microscoop. Kom gauw kijken.” Alsof hij een van z’n beste vrienden aan mij voorstelt zegt hij “Dat is ‘em…. Treponema Pallidum.” “En als je goed kijkt zie je dat die in het midden lekker bezig is.” En verhip, glashelder. Een soort kleine penneveertjes waarvan er eentje een soort ongemakkelijk dansje doet. Wat cool. En de patient zit in 7, dus ik zal Mieke even voor je bellen of je mee mag kijken, o… daar is ze al.

Op het moment dat ik me wil voorstellen aan Mieke zie ik in mijn ooghoek dokter Mark het objectglaasje met blote handen van de microscoop halen en in een naaldenbeker doen.

“Maar eh… dat is toch zo ongeveer het lelijkste beestje dat je in je lichaam kunt krijgen en jij pakt het met je blote handen?”

“Ja, maar het komt alleen naar binnen door slijmvliezen hoor en het is goed te behandelen.”

Mijn “Ja, maar als je het mist vreet het je schedel op” laat ik maar even achterwege en bedank Mark dat hij mij deze gravende griezel heeft laten zien.

Mieke kijkt inmiddels al glimlachend, maar wel met een blik van “Dude… er zit iemand in mijn spreekkamer te wachten op een naald in zijn gluteus maximus, kom effe mee.”

Dus wij naar “7”

Van te voren had ik even gevraagd of wij “handen geven” op de SOA poli en Mark vertelde dat ‘we’ dat zeker wel doen. Ten eerste omdat het geen kwaad kan, maar ook om uit te dragen naar de patienten dat  er geen stigma rust op SOA.

Dus zonder mij af te vragen waar deze geweest is de afgelopen uren schud ik de hand van Peter. Een supervriendelijke jongen met een ietwat van de pijn vertrokken gezicht. Nog voordat Mieke haar “vind u het goed als mijn collega even meekijkt” heeft uitgesproken is de broek al naar beneden en wordt mij zonder schaamte en met lichte trots een behoorlijk rode knop getoond met daarop een witte vlek die er niet hoort. “Je mag kijken, maar kom er alsjeblieft niet aan, want het doet pijn als een malle” zegt Peter. Ik zeg hem in alle eerlijkheid dat ik niet zou durven.

Peter mag op z’n buik gaan liggen en er worden twee flinke naalden klaargezet met een melkachtige substantie er in. Er wordt wat Lidocaine opgezogen en gemengd. Mijn ietwat impulsieve “O, is dat om de pijn wat dragelijker te maken” wordt beantwoord door een lachende Peter met “Nee, dat stelt me echt gerust man.”

Het doet zeer, dat is wel duidelijk, maar Peter benadrukt dat het niets is vergeleken met het afnemen van het monstermateriaal. Na een paar minuten zitten we weer en met een glashelder verhaal over hoe het vervolg er uit ziet loopt Peter (enigszins moeilijk) weer naar buiten.

Na een kop koffie en nog een paar patienten waarbij ik me blijf verbazen over de ‘hobbies’ die sommige mensen hebben loopt het al weer tegen het einde van de middag. Superleuk. Erg leerzaam. En o wat ben ik blij dat er een microscoop tussen mij en die Treponema zat.

Zo… en nu eerst even douchen. Je weet nooit waar de ecoulementspetters terecht zijn gekomen.

Interpretatie

“Fles wijn net zo slecht als 10 sigaretten” kopt een landelijke krant. “Daar gaan we weer” denk ik dan. Wat heeft een redactie nu weer uit de duim gezogen op basis van het slecht lezen van een wetenschappelijk artikel.

Om te beginnen slaat de vergelijking natuurlijk als een tang op een varken. Als je namelijk alleen de titel leest, zoals waarschijnlijk de meeste mensen doen in deze tijd van informatie overload, dan is voor de gemiddelde vrouw of man de conclusie snel getrokken. “Waarom zou ik stoppen met roken als het net zo onschuldig is als een wijntje drinken. Wat iedereen eigenlijk wel eens doet.” En bedankt krant. Al het werk dat gedaan is om mensen bewust te maken van de schadelijke effecten van roken wordt even ter zijde geschoven.

Als je het originele artikel leest (Biomed Central) staat er in “We must first be absolutely clear that this study is not saying that drinking alcohol in moderation is in any way equivalent to smoking. Smoking kills up to two thirds of its users.” In de krant wordt dit verwoord met “Onderzoekster Hydes benadrukt dat ze niet wil zeggen dat je in plaats van gematigd drinken ook gematigd mag roken. De uitkomsten zijn gemiddeld, en voor elk mens kan de uitwerking van alcohol, of tabak verschillend zijn.” Een verkeerde verwoording, want het gaat er niet om dat de uitkomsten gemiddeld zijn, het gaat er om dat 67% van mensen die roken dood gaan aan de gevolgen daar van.

Als je kijkt naar de meest voorkomende doodsoorzaken in Nederland (volksgezondheidenzorg.info) dan zie je na Dementie op de eerste plaats achtereenvolgens op plaatsen 2,3,4,5 en 6 Longkanker, Beroerte, Coronaire hartziekten, Hartfalen en COPD. Als we kijken naar conclusies van de Nederlandse Gezondheidsraad – het onafhankelijk wetenschappelijk adviesorgaan voor regering en parlement – die gedegen wetenschappelijk literatuuronderzoek hebben gedaan  (bron: Gezondheidsraad) dan zien we de volgende conclusies (in een glas drank zit ongeveer 10 gram alcohol – bron):

– Alcoholgebruik van meer dan 0 tot 30 g/d hangt ten opzichte van geen alcoholgebruik samen met een ongeveer 25 procent lager risico op dementie. Bewijskracht: groot.

– Alcoholgebruik van meer dan 0 tot maximaal 5 gram per dag hangt ten opzichte van geen alcoholgebruik samen met een lager risico op longkanker. Bewijskracht: gering

– Gebruik van meer dan 0 tot 15 gram alcohol per dag hangt in vergelijking tot geen alcoholgebruik samen met een ongeveer 20% lager risico op beroerte. Bewijskracht: groot.

– Een gemiddeld alcoholgebruik van ten minste 2,5 gram alcohol per dag hangt in vergelijking tot geen alcoholgebruik samen met een ongeveer 25 procent lager risico op coronaire hartziekten. Bewijskracht: groot.

– Gebruik van ongeveer 2 tot 28 gram alcohol er dag in vergelijking tot 0 gram per dag hangt samen met een ongeveer 20% lager risico op hartfalen. Bewijskracht: groot.

Jawel, er staat steeds “lager.” Dus zo ongeveer het tegenovergestelde van wat de krant kopt….

Als we het originele artikel lezen blijkt al snel dat het onderzoek zich specifiek heeft gericht op doodsoorzaak kanker. Een vreselijke ziekte, waar nog steeds te veel mensen aan overlijden, maar ook een ziekte waar minder mensen aan dood gaan dan aan de ziekten waarop het risico verkleind wordt door matig alcoholgebruik en verhoogd door roken.

Nu wil ik zeker bevestigen dat overmatig alcoholgebruik slecht is. Niet alleen vergroot het je kans op het krijgen van kanker, maar ook de sociale gevolgen kunnen enorm zijn. Wat wel bewezen is, is dat de krantenkop in de krant feitelijk onjuist is.

Sterkte aan alle artsen die de komende weken, maanden en misschien wel jaren hun kostbare tijd moeten verspillen aan het ontkrachten van dit slechte verzinsel.

 

89

Het was een redelijk moeizame prikronde. De laatste patiente was heel lastig te prikken en er was een enorme drukte op de afdeling. Het was zo druk, dat toen wij iets wilde vragen over de patiente en op het “Verpleging” knopje bij het bed drukte we tien minuten vergeefs hebben gewacht op de verpleging. Dan hoop je toch dat er niet iets gebeurt dat acuut aandacht nodig heeft.

We brengen het bloed naar het lab, vullen onze kar bij en wassen onze handen. Op het moment dat ik mijn handtekening wil zetten om aan te geven dat we klaar zijn, zie ik een geel briefje met de opmerking “Onze vaste naprikmedewerkers zijn ziek, zou jij het voor je rekening willen nemen samen met een collega?” Ik schrijf er onder dat ik eerst even een boterhammetje ga eten, het zou voor de afwisseling misschien interessant zijn, maar waarschijnlijk toch vervelend als de bloedafnemer flauw valt tijdens het prikken.

Bij terugkomst blijken er 7 opdrachten te zijn en de collega met wie ik zou samenwerken is reeds vertrokken. Of ik het alleen zou willen doen. “Als het niet lukt kan je het altijd aan de arts overlaten” krijg ik bemoedigend toegestopt. “Ja hoor, geen probleem” hoor ik mezelf zeggen en ben al onderweg naar de prikkoffers die speciaal voor de naprik gemaakt zijn.

De eerste prikopdracht meldt met pen geschreven dat twee van mijn collega’s het beide al twee keer geprobeerd hebben zonder bloed te hebben kunnen afnemen. “Hoe ga ik dat in hemelsnaam voor elkaar krijgen?” denk ik bij mezelf. Als ik naar de geboortedatum kijk blijkt die ook nog eens vlak na de eerste wereldoorlog te zijn. Bemoedigende woorden van mijn ervaren collega’s komen bovendrijven. “Gewoon de tijd nemen, vooral niet haasten” en “Soms lukt het gewoon niet, dat heeft iedereen wel eens” geven mij genoeg moed om de grote deur open te duwen naar de kamer.

Als ik de oude vrouw zie die in een stoel naast haar bed zit vraag ik mij af of ik de juiste patiente heb. De vrouw kan mij niet horen als ik haar groet en om haar geboortedatum vraag. Ik herhaal mijn vraag een stuk harder en plaats mijzelf duidelijk in haar blikveld. Langzaam spreekt zij de datum die op de prikopdracht staat uit. Met “Ja, ik ben al 89” dikt ze
de ernst van de zaak flink aan.

Een klein beetje beschaamd dat ik deze dame voor de vijfde keer moet prikken vandaag vraag ik haar of ik even naar haar armen mag kijken. Ze twijfelt geen moment en ik ontwaar zelfs een glimlach op haar gezicht. Dat scheelt, ze vindt het niet zo heel erg.

“Het is zulk mooi weer” spreekt ze langzaam uit als ze uit het raam van de hoge verdieping van haar kamer naar buiten kijkt. “Maar het is buiten heel erg koud” weet ze te melden. Ik vertel haar dat ik de avond ervoor nog een stuk door de stad heb gefietst en dat het echt heel erg koud was. Ze kijkt me begripvol aan en ik bewonder de helderheid die uit haar ogen naar buiten straalt. Als je met 89 jaar nog de schoonheid kan inzien van de zon terwijl je in het ziekenhuis bent opgenomen dan heb je volgens mij erg goed opgelet tijdens je leven.

Ik begrijp waarom mijn collega’s moeite hebben gehad met prikken. Kleine aderen die ver weggestopt zijn, maar tot mijn verbazing nog redelijk zacht. Alsof ze mijn gedachten kan lezen zegt de oude dame “Ik heb mijn hele leven gezond geleefd, maar ik ben nu bang om te lopen, want als ik val kan ik een heup breken.” Met zo veel mogelijk bewondering in mijn blik zeg ik dat haar aderen nog heel erg jong aanvoelen.

Inmiddels heb ik een steuntje gebouwd van handdoekjes om het deze vrouw zo makkelijk mogelijk te maken en haar arm ligt mooi gestrekt voor mij, ze biedt zelfs aan een vuist te maken wat nog heel goed lukt. Na beide armen goed onderzocht te hebben besluit ik de iets zachtere ader in de linkerarm aan te prikken en dat was gelukkig een goede keuze. De buisjes vullen zich niet heel snel, maar voor een vrouw van deze leeftijd neem ik de tijd. “Het is gelukt, ze zijn alle drie vol mevrouw” vertel ik haar met toch wel lichte trots. De vrouw heeft haar blik al weer op haar uitzicht gericht als ik haar het beste wens.

Als ik de kamer verlaat en de verpleging en artsen druk over de afdeling zie lopen vraag ik mij af waarom het er ineens zo anders uitziet dan toen ik aankwam. Ik denk dat ik door heb wat er is gebeurd. De tijd heeft heel eventjes stil gestaan.

Poepsoep

Ze is ziek. Echt ziek. Artsen maken onderscheid tussen “ziek” en “niet ziek.” “Niet ziek” is een snotneus als gevolg van een virusje. “Ziek” is wat deze mevrouw is. Ze heeft al twee dagen 40 graden koorts, ondanks de paracetamol die haar gegeven wordt. Ze heeft enorme buikkrampen en we denken er over om haar een klein beetje morfine te geven, want ze heeft al twee dagen niet kunnen slapen van de pijn.

1700 jaar eerder zit Ge Hong in zijn tuin. Prachtige kersenbloesem schittert in de late zomerzon en zijn kippen knabbelen van al het lekkers dat op de grond ligt. Ongegeneerd poept zijn hond midden in het gras waar de kippen grazen en hij vindt het enigszins vermakelijk dat de vogels in plaats van weg te rennen de gelegenheid gebruiken om er een warme maaltijd van te maken. Zou dat goed voor ze zijn? Het idee is geboren.

Een Engelse chef maakt in zijn schitterende keuken, die bijna op een laboratorium lijkt een consommé. En mooi woord voor soep. Omdat hij vaak in de pan kijkt heeft zijn bril iedere 30 seconden een zetje nodig om weer op zijn neus te blijven staan. Kippenvleugels worden zorgvuldig bestrooid met melkpoeder en mooi gebruind onder de gril. Wortel, selderij en ui worden met een beetje boter uitgebakken en na uren pruttelen wordt de consomme gezeefd en ingekookt. De prachtig goudbruine vloeistof wordt in een glazen theepot geschonken. Klaar voor het diner.

Terug naar onze patiente. Enige dagen geleden werd zij benauwd opgenomen. De stethoscoop liet knisperende sneeuw horen en de longfoto was één grote witte vlek. Zelfs voor de co-assistent een inkoppertje. Amoxicilline wordt, netjes volgens de standaard antibioticabeleid toegediend en het afwachten begint. Een dag later wordt de vrouw alleen maar zieker. Omdat bij een longontsteking niet meteen te zien is welke bacterie de ontsteking veroorzaakt, wordt standaard het antibioticum amoxicilline gegeven dat in de meeste gevallen werkt. Als blijkt dat het antibioticum niet aanslaat wordt een alternatief toegediend, zoals in dit geval.

Het grote voordeel van antibiotica is dat het ziekmakende bacterieën weerhoud van delen en aangezien bacterieën niet heel lang leven er daarmee voor zorgen dat ze verdwijnen. Het nadeel is dat de bacterien die wij in ons lichaam hebben die ons beschermen tegen andere lelijke bacterien ook doodt. Als dit in een ziekenhuis gebeurt en de daar vaak ronddwalende Clostridium Difficile naar binnen kruipt moet die weer verwijderd worden, met…. u raadt het al, nog meer antibiotica. Inmiddels zijn de bacterieën die ons kunnen beschermen van infecties ook wel allemaal om zeep geholpen en is het maar hopen dat niet de volgende lelijkerd naar binnen kruipt.

In het verleden is een andere manier bedacht om een darmbacterie ons lichaam uit te werken en deze manier maakt een enorme opleving door op dit moment. Het introduceren van goede bacterieën om de kwade om zeep te helpen. 1700 jaar geleden al bedacht door Ge Hong die zijn “gele soep” maakte van onder andere poep waar sommige zieke mensen baat bij hadden, in de jaren 40 gebruikt door Duitse soldaten, die bleken te genezen van dysenterie door kamelenpoep te eten. Vraag maar niet hoe ze daar achter zijn gekomen….. Vandaag onder iets hygienischer omstandigheden in de vorm van een faecestransplantatie. Middels een slangetje dat via neus en slokdarm in de maag wordt gebracht wordt een oplossing van de poep van een gezonde donor ingebracht met het idee dat de bacterieën hierin de kwade bacterien van de patient verdrijven. Er loopt op dit moment een veelbelovend onderzoek om te kijken of op deze manier mensen met de chronische darmontsteking “colitis ulcerosa” genezen kunnen worden. Wat een prachtige oplossing zou dat zijn. Geen dure medicijnen. ‘Gewoon’ aan de poepsoep.

Onze patiente krijgt nog even antibiotica, maar misschien staan onze apothekers over een paar jaar wel gele soep te koken als alternatief. Ik geef nog heel even de voorkeur aan de soep van onze Engelse chef. Wel wat duurder misschien, maar waarschijnlijk ook wel iets lekkerder.

Snijzaal

De dag is aangebroken waar we al maanden met veel verlangen naar uitkijken. Sommigen vinden het eng, maar in de lucht hangt toch overduidelijk een gevoel van spanning en nieuwsgierigheid. Met onze witte jassen aan en huiswerk in de hand zijn we er klaar voor. De snijzaal.

Het eerste dat duidelijk opvalt, is de behoorlijk lage temperatuur in de zaal waar we schoorvoetend naar binnen lopen. Het tweede dat opvalt zijn twee glimmende roestvaststalen tafels met op elk een witte zak in de vorm van een lichaam. “O… daar liggen ze al” zoemt het voorzichtig. Onze begeleider trekt een soort stoffen schort aan met een elan waaruit blijkt dat het voor hem de normaalste zaak van de wereld is en dat geeft ons het vertrouwen dat het allemaal wel goed gaat komen.

Voordat het echte werk begint krijgen we een verhelderende presentatie over de afdeling anatomie en ons practicum. Allereerst worden een paar rondzoemende geruchten ontkracht. Er zijn geen zwembaden vol met stoffelijke overschotten onder het gebouw. Er worden geen lichamen van chinezen gekocht voor ons onderwijs en het zijn geen veroordeelde criminelen. Het zijn mensen die tijdens hun leven de mooie beslissing hebben genomen om hun lichaam na hun dood na te laten aan de afdeling anatomie van ons ziekenhuis. Iets waarvoor wij door de manier waarop we met deze lichamen omgaan ons respect en onze dankbaarheid kunnen tonen.

We worden uitgenodigd om dichter naar één van de tafels toe te komen. Langzaam wordt de witte plastic zak en de daaronder liggende blauwe handdoek van de voeten van het lichaam gehaald. Er komen twee gele dunne voeten tevoorschijn. De benen, de buik, de romp en uiteindelijk het hoofd worden ontbloot en het ziet er allemaal veel minder eng uit dan we hadden gedacht. Zelfs een beetje ‘onecht.’ De kleur klopt niet, alle haren zijn verwijderd van het lichaam, maar hier ligt toch echt een overleden oude dame.

Ik kijk naar haar handen. Ze heeft dunne vingers met lange nagels. Echte oma handen. Handen die een halve eeuw geleden hebben leren schrijven…. misschien nog wel met een lei en een griffel. Handen die de hand van haar geliefde hebben vastgehouden toen ze ging trouwen. Handen waarmee zij haar eerste kindje in slaap heeft gewiegd. Handen die een roos op het graf van haar overleden man hebben gelegd en handen die vastgehouden werden toen zij zelf het tijdelijke voor het eeuwige verruilde. Wat een eer dat wij haar handen mogen gebruiken om goeie dokters te worden.

Haar lichaam is reeds voorgeprepareerd en de huid van de thorax en haar ribben worden opengeklapt als ware zij een boek. Leergierige ogen graaien de organen bij elkaar. Latijnse namen vliegen in de rondte. We zien de hepar (lever), de gaster (maag), de dunne en de dikke darm, respectievelijk het intestinum tenue en het intestinum crassum, meestal aangeduid met ‘colon’, de longen, maar ook haar hart.

De opdrachten in onze handleiding worden gretig uitgezocht. Een röntgenfoto laat de bifurcatio aortae zien, de afsplitsing van de aorta naar beide benen, en de vraag is of deze foto van voren of van achteren genomen is. Ik heb geen idee, maar een collega komt met de geniale opmerking dat de linkernier die op de foto te zien is altijd hoger ligt dan de rechter. Ik kijk naar het lichaam waar we voor staan, leg de dunne darm even opzij en zie wat hij bedoelt. Dat vergeet ik ook nooit meer.

Na afloop van het practicum worden wij verzocht de lichamen netjes toe te dekken met blauwe handdoek en witte plastic zak. Zonder twijfel helpt iedereen met het zorgvuldig instoppen van de lichamen. Het zit duidelijk wel goed met ons respect.

In de war – het vervolg

Tijdens het kijken van een berg afleveringen “Dr. House” kom ik uit bij Season 3 – Episode 18. Een vrouw wordt binnengebracht op de eerste hulp met neurologische verschijnselen. In het huis van de vrouw wordt bovenop een kast een overleden kat gevonden. Het hele huis van de vrouw wordt binnenste buiten gekeerd, maar er wordt niets bijzonders ontdekt. Hugh komt er niet uit en ook zijn artsen in opleiding niet. Uiteindelijk vindt iemand een buis onder de grond die verbonden is met een ander huis. Het andere huis is afgesloten en er zit een sticker op de deur “DANGER: premises have been fumigated with Methyl Bromide – no admittance for 72 hours”

“Nooooooooit”

Ik vraag me meteen af of onze professor nog tijd gehad heeft om te kijken of er nieuwe feiten te ontdekken waren in de casus, of dat de oneindige drukte in het ziekenhuis de herinneringen overspoeld heeft met de honderden casussen die er na kwamen. Volgens mij is het een man die alles onthoudt van elke patient die hij ooit gezien heeft, dus ik waag het er op.

In het ergste geval heeft hij geen tijd en hoor ik niks, maar in het kader van “Niet schieten is altijd mis” lijkt het mij niet ongepast om onze professor te mailen met de vraag of er nog extra informatie naar boven is gekomen in deze casus. De wereldberoemde Internist van “Princeton Plainsboro” geeft ook niet op tot hij het antwoord weet en het lijkt mij dan ook niks voor een echte internist in een bestaand ziekenhuis om dat wel te doen.

Binnen een half uur krijg ik een bijzonder leuke mail terug. Onze professor waardeert de mail en geeft aan dat één van de beste tips die hij ooit kreeg om een betere arts te worden is op te schrijven wat je mee maakt. “Goed bezig” kan ik alleen maar concluderen. Wel geeft hij mij een professionele kanttekening. Eentje waar ik zeker al aan gedacht had en ook met de grootste zorg rekening mee hield, maar die in dit geval toch misschien nog net iets verder getrokken moet worden.

De informatie die we over patienten krijgen is vertrouwelijk. Uiteraard naam en geboortedatum, maar de basis van het vertrouwelijk houden van informatie is “Herleidbaarheid.” Is het verhaal misschien door iemand die de patient kent te herkennen. Dat mag natuurlijk niet de bedoeling zijn. Een optie is de patient om toestemming vragen, maar dat wordt lastig in dit geval. Of het verhaal zo schrijven dat de strekking gelijk blijft, maar de details zo veranderd zijn dat het echt niet meer te herleiden is tot een persoon. De wijze man heeft volkomen gelijk en ik ga om te beginnen het verhaal maar even herschrijven.

Hoewel onze internist vertelt dat de casus ook zo af en toe bij hem boven komt drijven in zijn bewustzijn, is er nooit een definitieve oplossing gevonden. Waarschijnlijk zal dat ook niet meer gebeuren, want achteraf een vergiftiging vaststellen is niet mogelijk als de toxines het bloed al uit zijn. Nu moet ik alleen wel een beetje oppassen dat er als er een patient op de spoedeisende eerste hulp wordt binnengebracht om niet automatisch te roepen: “Effe Broom prikken”, want een hypothese blijft natuurlijk een hypothese tot ie bewezen is.

MS

Ik hoor een hoop gelach als ik de kamer nader waar mijn volgende patiënt moet liggen. Een vrolijke man zit in een stoel en er staan twee verpleegkundigen tegenover hem. “Nou mijnheer, we moeten even beslissen of u eerst naar het toilet wilt of eerst douchen.” “Ja, dat wil ik wel, maar dat gaat moeilijk hoor, want ik heb MS.” De man lacht en ik verbaas mij licht over de vrolijkheid die hij ten toon spreidt.

De man kijkt mij vriendelijk aan als ik aankondig wat bloed bij hem af te willen nemen. “Ow, nou dat kan er ook nog wel bij hoor.. ha ha….” Het doet mij goed te zien dat deze man zijn vreselijke ziekte met humor kan relativeren.

Terwijl ik mijn spulletjes klaarleg kijken de twee verpleegkundigen bezorgd naar de voet van de man die er behoorlijk donkerblauw uitziet. “Was zijn voet gisteren ook al zo blauw?” vraagt de ene verpleegkundige aan de andere. “Nou, zo blauw was ie volgens mij niet hoor.” “Mijnheer, waarom is uw voet zo blauw?” “Nou, misschien had ie niet zo’n zin om rood te zijn vandaag ha ha.” Ik kan er wel om lachen, maar de verpleegkundigen zijn volgens mij niet zo blij met de adremheid van hun patiënt.

Het prikken gaat wat lastig omdat de man niet heel goed stil kan zitten. Hij verontschuldigd zich voor zijn bewegingen en dat raakt mij best wel, want hij kan er natuurlijk helemaal niets aan doen. “Nou mijnheer, ik snap ook wel dat u er zelf niet voor gekozen heeft, dus als u het niet erg vindt als ik uw arm even stil hou is het geen enkel probleem hoor.”

De man blijft lachen als ik mijn naaldje in zijn arm prik. Tot mijn verbazing komt er geen druppel bloed in mijn buisje. Balen zeg, deze man heeft het al zo moeilijk…..

“Nou, dan probeer je die andere arm toch gewoon, ik heb er twee hoor ha ha!” Jeetje, als alle patiënten eens zo relaxt waren, dan zou het werk een stuk prettiger zijn. De verpleegkundigen kijken toe hoe ik de mouw van zijn rechterarm opstroop. Zijn aderen zijn behoorlijk dik en liggen niet heel diep. Terwijl ik een ader op zijn rechterarm betast vraag ik mij nog af waarom het niet gelukt is in de andere arm.

Het bloed afnemen uit zijn rechterarm gaat feilloos en hoewel de man wat druk is ben ik blij met zijn opgewektheid. “Mag ik u vragen wat u voor werk doet mijnheer?” “Ik was leraar op een middelbare school” antwoordt de man. Ik doe een gok en vraag hem “Bent u geschiedenisleraar?” Als de man zegt: “Ja, dat klopt” vermoed ik dat hij mij in de maling zit te nemen, maar mijn verbaasde “Echt?” beantwoordt hij met “Ja, ik gaf geschiedenis.”

Inmiddels al weer klaar met bloedafnemen bedenk ik mij dat deze man waarschijnlijk honderden kinderen verteld heeft over de tweede wereldoorlog, over de Kelten en de Batavieren, over de Eufraat en de Tigris en dat hij nu in een rolstoel met een veel te blauwe voet met de verpleging moet overleggen of hij eerst naar het toilet geholpen gaat worden of eerst wil douchen. Ik word er een klein beetje droevig van, maar deze man niet. Hij blijft lachen en grapjes maken. Misschien wel de enige manier om met zo’n belachelijke ziekte om te gaan.

Inmiddels zijn de onderhandelingen tussen de man en de verpleegkundigen al weer in volle gang. Ik zie een man met een vreselijke ziekte die het allemaal heel positief bekijkt en twee verpleegkundigen die onder enorme tijdsdruk hun geduld beginnen te verliezen omdat er nog zo veel andere patiënten geholpen moeten worden. Feilloos wordt hier voor mij het resultaat van ‘de bezuinigingen in de gezondheidszorg’ geïllustreerd.

Met heel veel begrip zal ik de volgende verpleegkundigenstaking op televisie bekijken. Wat zou het goed zijn om politici die beslissen over de zorgbudgetten eens een paar maanden mee te laten lopen met deze goedbedoelende verpleegkundigen. Dan zullen ze misschien eindelijk begrijpen dat er ook grenzen zijn van het geduld van mensen die het beste voor hebben met hun zieke medemens.

Acrobaat

Een jonge man stapt kordaat mijn prikhokje binnen. Hij zegt zijn voornaam en geeft mij een stevige hand. Normaal gesproken geven we geen handen op de bloedafnamepoli, maar als het voor de patiënt mogelijk een psychische barrière doorbreekt heb ik een keertje extra mijn handen wassen er wel voor over. De blik van deze jongen is zo vriendelijk dat ik de automatische reactie om zijn hand te beantwoorden waarschijnlijk niet eens had kunnen tegenhouden.

Zijn licht zenuwachtige houding verraad zijn gevoel al voordat hij zegt: “Het is natuurlijk psychisch, maar ik heb het niet zo op naalden.” Naar waarheid kan ik hem zeggen dat ik er net zo over denk en dat het helemaal niet vreemd is dat hij niet staat te springen om zijn bloed af te laten nemen.

Zijn onderarmen zijn flink gespierd en zijn aderen liggen er als dikke blauwe kabels bovenop. “Ik denk niet dat het heel moeilijk gaat worden hoor….” zeg ik als ik het lijnenspel op zijn onderarmen aanschouw. Pro forma leg ik mijn stuwband om zijn bovenarm, maar het is nauwelijks nodig.

“Ben je soms drummer of bergbeklimmer” vraag ik hem als ik de spieren zie opzwellen op het moment dat hij een vuist maakt. “Hoezo?” vraagt hij. Met “Drummers en bergbeklimmers hebben altijd van die enorme onderarmen doordat ze hun vingers zo veel gebruiken” verklaar ik mijn vraag. “Nee, ik ben theatermaker” is zijn antwoord. Misschien heb je wel eens van ons gehoord. We maken theater met acrobatiek en muziek. De naam van de groep die hij noemt komt me bekend voor, maar ik kan me niet herinneren dat ik hun show gezien heb.

Met “Zijn het dikke naalden die je gebruikt?” brengt hij mij terug in de realiteit. “We gebruiken over het algemeen twee soorten naalden, deze groene en deze……” Ik zie dat mijn doosje met zwarte naalden leeg is. “Momentje, ik ga even een doosje dunnere naalden voor je halen.”

Met een doos nieuwe zwarte naalden leg ik uit dat deze iets dunner zijn dan de groene. De groene naalden zijn nul komma acht millimeter dik en de zwarte een tiende millimeter dunner. “Ga ik het verschil voelen?” vraagt hij mij en ik moet naar waarheid antwoorden dat ik geen idee heb, maar dat als het psychisch voor hem werkt ik met alle liefde een zwarte naald gebruik in plaats van een groene. “Het gaat ietsje langer duren omdat het bloed wat minder snel door de dunnere naald stroomt.”

Terwijl hij de plaatjes op de muur van het prikhokje bestudeert vul ik de buisjes met gemak. Ondertussen vertelt hij de reden voor de bloedafname. Het is een indrukwekkend verhaal en ik besef mij weer hoe rijk ik mij moet prijzen met mijn gezondheid en hoop van harte dat deze vriendelijke jonge man maar snel mag genezen.

Net als ik klaar ben steekt een collega haar vrolijke gezicht om het hoekje en vraagt hoe het gaat. “We hebben een beroemdheid op de poli” zeg ik haar en zonder twijfel wordt een telefoon opgetrommeld die foto’s kan maken.

Een klein beetje beschaamd vraag ik de jonge man of hij het niet vervelend vindt dat we met hem op de foto willen. Heel overtuigend laat hij merken dat het geen enkel probleem voor hem is en komt naast me staan om te poseren. Ach, hij zal na een optreden ook wel met Jan en alleman op de foto moeten, “Dan kunnen deze twee wannabe vampiertjes er ook nog wel bij” zal hij waarschijnlijk denken.

We praten nog een beetje na met z’n drieën en de sfeer is zo leuk dat het me niet zou hebben verbaasd als er een vierde collega met een paar biertjes bij zou komen staan. Helaas zit dat er niet in vandaag en onze acrobaat verlaat met een brede glimlach de poli.

Mijn collega en ik spreken af dat we ’s avonds gelijk op Internet gaan kijken waar zijn theatergroep speelt. Dat zou misschien nog best wel een leuk poli-uitje kunnen worden! We houden het in gedachten en als we een prikbord (pun intended) gaan maken met alle beroemdheden die we hebben ‘geholpen’ op de poli dan gaan deze foto’s zeker niet ontbreken. Hopelijk wordt hij snel weer beter en kunnen we weer volop van zijn theatertalent genieten!