British

Met een zeldzaam mooi Engels accent word ik verwelkomd met de woorden “You’re going to hurt me, are you?” In Amsterdam wordt wel eens gezegd bij een glas geweldig lekkere wijn: “Alsof er een engeltje over je tong piest.” Ik krijg het gevoel dat een engeltje over mijn trommelvlies aait als ik zo’n fijn Engels accent hoor.

“It’s definitely not my intention to hurt you, but your doctor has requested me to draw a little blood, which unfortunately we cannot do without a needle.” “But I will make sure that the whole procedure will be as painless as possible.” Mijn woorden geven haar vertrouwen, want ze legt haar linkerarm al open voor ik bij het bed ben. Wel krijg ik nog even de waarschuwing mee: “It’s very difficult they say, they had to stick me six times the last time they wanted to draw blood.”
“Well, that five too many isn’t it? Let’s have a look and see if we can do it on the first try….”

Haar rechterarm zit in een soort brace. “You hurt your arm, did you?”
“I was burned…… My house was on fire and I was in the top of the building, I have been unconscious for two weeks and woke up in the hospital.”
“Goodness me…. it’s only your arm, is it?”
“Yes, fortunately, a few spots here and there, but my arm is the worst.”
“Does it hurt a lot?”
“It does hurt, but it’s bearable.”

Intussen speur ik haar arm af voor een vaatje, maar het is dun gezaaid. Aan de buitenkant van haar linkerarm zit een klein vaatje, maar het is wel mooi zacht, dus ik denk dat ik daar wel wat uit kan peuteren.

“Life is full of surprises….. Two years ago I lost my husband, we have lived in that house for 26 years and now it’s all gone….” Met oprechte medeleven in mijn ogen kijk ik haar aan. “That’s awful….., that’s too much bad luck in too little time isn’t it?” De vrouw kijkt me aan met een trieste blik. “You are so kind….. that’s very nice if you want to cry….” Ze legt haar hand op de mijne. Niet op een jongen meisje manier, maar op een moeder zoon manier en op dit moment is dat helemaal prima. Haar ogen worden vochtig en ze kijkt een beetje beschaamd. “Owwww, that’s alright, after what you’ve been through you definitely earned the right to shed a few tears.” Een dankbare glimlach komt mijn kant op. Man verloren, huis afgebrand, wakker worden in een ziekenhuis met brandwonden en maar hopen dat je nog terug kan in je huis als je wordt ontslagen. Heftig… to say the least.

Intussen heb ik het halve millimeter dikke vaatje aangeprikt met m’n blauwe vleugelnaaldje en we kijken allebei opgelucht naar het slangetje dat zich snel met bloed vult. “That’s going well, is it?”

“Definitely, but let’s celebrate after all the tubes have been filled… you never know.” Vier ogen kijken geconcentreerd het bloed de buisjes in. Ze zijn vol. Kunstwerkje…. al zeg ik het zelf.

“Will they rebuild your house, or will you move somewhere else?”
“I’m not sure, I’ve heard they will sell the house instead of renovating it…. I’m afraid they’re going to put me in an old people home…” Ik check nog even haar geboortedatum. “But you’re not even sixty yet, that’s way too young to play silly card games and join a bingo every Friday afternoon, don’t you think?” Voor het eerst sinds onze ontmoeting lacht de vrouw hardop. Hoe ze het voor elkaar krijgt weet ik niet, maar zelfs haar lach heeft een Engels accent. “No, you’re right, I sure hope they’ll find me a new home.” “I have been thinking of going back to England, you know.” “But I rarely go there anymore because I’m afraid to fly.”
“Really? It’s not much more than a fourty minutes bus ride through the sky, isn’t it?”
“That’s true… it’s not that I’m afraid of falling out of the sky… it just that there’s nothing to hold on to when the plane crashed down…” “And the bus through the tunnel takes hours…” “I did plan to travel by plane a while ago… bought the tickets and all, but five minutes before the plane left I became very ill and I couldn’t get on board.” “Ironic, isn’t it.”

“Well, I certainly hope they will be able to rebuild your house and we are in Amsterdam after all, so you will probably be put first in line for a new house.” “After so much bad luck you are entitled to get a nice new place, don’t you think?” Ze is het met me eens. Met een “Bye love” groet ze mij zo Engels als mogelijk is. Ik besluit dat “Bye darling” op z’n plaats is en dat wordt gewaardeerd.

Flirt

Inmiddels zie ik al of iemand zenuwachtig is op het moment dat de eerste stap in m’n prikkabine gezet is. Ze is zenuwachtig. Haar vriend helpt niet erg door grapjes te maken om zijn eigen zenuwen niet te hoeven tonen. “Nou, gebruik je dikste naald maar hoor ha ha” is de reden dat de woorden “lompe boer” in mijn gedachten naar boven komen drijven. In tegenstelling tot het bange meisje. Zij heeft duidelijk haar afkomst in Zuid Amerika en geeft haar gevoel alle ruimte. “Ik vind het echt doodeng dit…..” is alles wat ze zegt, maar haar lichaamstaal geeft in alle toonsoorten aan dat ze er echt geen zin in heeft. Armen gekruist voor zich, hoofd van mij afgewend, benen strak tegen elkaar geklemd, terwijl haar vriend haar bemoedigend toespreekt met de subtiele woorden “Bange schijtert, het is maar een prikje.” Het refrein van het liedje getiteld “Lul” van “Geen familie” begint in mijn hoofd te spelen. Niks van aantrekken, even een beetje gerust proberen te stellen.

“Joh, nou, dan doen we het toch gewoon niet…..” wordt beantwoord met een heel verbaasde blik. Die optie was nog niet bij haar opgekomen. “Ik gooi dit briefje weg, je staat op en je gaat lekker naar huis, is dat wat?” Ze kijkt nog heel even verbaasd, maar dan keert de ernst terug in haar ogen. “Dit moet even hoor, het is erg belangrijk, kijk maar.” Ze wijst naar de letters “IVF” op het blaadje dat ze me gegeven heeft. “Ja, ik snap het” zeg ik met mijn lippen strak op elkaar geklemd en serieus knikkend. “Maar eh… wat vind je eigenlijk eng?” “Is het het prikje, of het kleine beetje bloed dat we in een buisje stoppen, of vind je witte jassen eng? Want dat is makkelijk op te lossen hoor!” Er kan een klein glimlachje af en ik zie dat ze haar armen voorzichtig uit elkaar haalt en met haar ellebogen op de leuning begint te steunen. “Een goed begin” denk ik bij mezelf.

“Nou, weet je wat, we gaan gewoon eerst even kijken wat er precies moet gebeuren en dan zien we wel of we gaan prikken of niet.” Ze zakt iets verder onderuit en leunt nu met haar volle onderarmen op de leuningen van de prikstoel. “We komen er wel….”

Als ik alle formulieren bekijk zie ik dat er een aanvraag voor het transfusielab bij zit, maar op de stickervelletjes niet de bijbehorende buisjes staan vernoemd. Gelukkig komt er net een collega langs die al heel lang op de poli werkt en ik vraag het haar. “Ja, dat zijn ze vergeten, wacht maar even, ik loop wel even naar voren.” “Ha ha, ze moeten nog tien buisjes extra hebben” zegt de lomperik die onderuit gezakt op het krukje in de prikkabine zit. Ineens begrijp ik waarom ze voor IVF heeft gekozen. Wat een….. Ah, daar is mijn collega weer.

“Nou, er moeten twee buisjes bij hoor.” “Ach joh, daar merk je niks van, een buisje meer of minder maakt niet uit, want ik prik toch maar één keer.” Ik pak mijn stuwband en begin op de linkeronderarm van de jonge dame te voelen naar een adertje. Hij ligt een beetje diep, maar is niet zo heel dun, dus ik denk dat het met een beetje mazzel wel moet lukken. Ineens buigt het meisje zich naar voren en fluistert: “Ik vind dat je zulke mooie ogen hebt.” Haar vriend is nog druk aan het praten met mijn collega en heeft het niet gehoord. Ik kijk op van haar arm en kijk recht in twee prachtige reebruine Zuid Amerikaanse ogen. “Ik vind jouw ogen ook heel mooi, maar eh…” zeg ik terwijl ik mijn hoofd een beetje naar voren kantel en onder mijn wenkbrauwen naar haar vriend kijk die niets in de gaten heeft. Ze glimlacht, ik krijg een knipoog en ze leunt weer terug in de stoel. Ik kan me heel even geen moment herinneren dat ik het belangrijker vond dan nu om raak te prikken.

Het groene vleugelnaaldje vindt zijn weg feilloos en terwijl het meisje de andere kant op kijkt vullen de buisjes zich met gemak. Manlief babbelt nog steeds vrolijk met mijn collega en ik denk bij mezelf “Je kunt toch op z’n minst even haar hand vasthouden…. Lul…..” “Zooooow, de laatste al weer, watje er op en het is gepiept. Goed gedaan joh!” Ik heb zelden iemand zo opgelucht zien kijken. “Zo, ben je leeg?” wordt door ons beide even professioneel genegeerd. Ik haal een bekertje limonade voor de dappere meid en dat wordt gewaardeerd. “O? En ik dan?” negeren we opnieuw. Als ze de prikkabine verlaat kijkt ze nog een keer terug en haar knipoog beantwoord ik maar even met een glimlach en een knikje. IVF… Je kunt natuurlijk ook gewoon een vriendje *met* ballen zoeken.

Houdgreep

We zijn met een fijn team aan het werk op de afdeling interne geneeskunde als mijn collega vraagt of ik even wil kijken naar één van de patiënten op het stapeltje prikopdrachten. Een andere collega meldt al dat het een klus gaat worden, want “gisteren had ik die ook en het was niet te doen.” “Laten we samen even gaan kijken dan, het klinkt alsof dat wel nodig gaat zijn”

Er ligt een enorme dame in een groot warmtebed. Hoe het bed precies warm gehouden wordt is niet helemaal duidelijk, maar het is bloedheet in de kamer. De dame in kwestie reageert totaal niet als we aankondigen dat we wat bloed komen afnemen. Er zit wat slijm op haar mond en ze sputtert met iedere ademhaling. Echt heel fris ziet het er niet uit, maar ja, dat heb je in een ziekenhuis. We kijken elkaar aan met een blik van “Wat moeten we hier nou weer mee.” Maar ik heb het gevoel dat we er allebei de humor wel van in kunnen zien en het is op z’n minst een goeie uitdaging.

Onder het laken komt een enorme arm tevoorschijn. Zo groot dat het hopeloos lijkt om daar een adertje in te vinden, maar de schijn kan altijd bedriegen. In negatieve, maar ook in positieve zin, dus gewoon maar even kijken.

Het kost wat moeite om de arm te strekken. Mevrouw heeft onbewust niet zo’n zin om mee te werken. En ik kan hoor ook eigenlijk helemaal geen ongelijk geven. Een arm strekken die niet mee wil werken blijkt met een beheerste constante kracht vaak toch wel te gaan en zo ook deze keer.

De stuwband is net lang genoeg om om de gigantische bovenarm te passen en ik krijg bijna medelijden met het arme ding. Even flink poetsen met alcohol en voelen maar….. Helemaal niks…. Binnenkant elleboog… niks… haar hand is ook groot en dik en de huid voelt aan als leer. Er ligt een vaatje op, maar die is heel erg dun en we zullen veel kracht moeten zetten om door haar huid heen te komen met het risico dat de ader daardoor wegrolt.

Na een paar minuutjes voelen van ons beide ontdekken we een ader die behoorlijk diep ligt aan de zijkant van haar onderarm, maar zo te voelen wel redelijk zacht is.

Mijn collega heeft in no-time een vleugelnaaldje tevoorschijn getoverd. Omdat onze andere collega al zei dat ze bij het prikken waarschijnlijk haar arm gaat terug trekken spreken we af dat ik haar arm in een houdgreep neem en het prikken doe, zodat mijn collega de buisjes kan wisselen als ik raak prik.

Onder haar elleboog hebben we handdoekjes gelegd zodat die in elk geval niet meer verder kan strekken. Haar pols hou ik gebogen en klem haar hand vast tussen mijn rechter elleboog en mijn buik om wegtrekken tegen te gaan. Met mijn onderarm druk ik op die van de vrouw zodat ze de arm niet kan buigen. Het lijkt meer op Jiu Jitsu dan op bloedprikken, maar dat is even nodig nu.

Ik voel nog een paar keer en met een welgemikte prik verdwijnt op een klein stukje na de naald in haar arm. De vrouw probeert haar arm terug te trekken, maar ik kan hem gelukkig tegenhouden. Tot onze blijdschap schiet er wat bloed in het naaldje en in rap tempo wisselt mijn collega de buisjes die zich goed vullen. Niet bewegen… niet bewegen… niet bewegen… Als het laatste buisje gevuld is slaken we allebei een zucht van verlichting. Wat een operatie zeg……

Blij met ons succes lopen we terug naar ons prikkarretje. Onderweg kijkt een arts ons bijna smekend aan en vraagt: “En? Is het gelukt?” “Ja hoor, we hebben het voor elkaar.” “O, echt? O, dat is fantastisch zeg…” Blijkbaar hebben ze eerder moeite gehad met deze dame.

Bij onze kar zegt mijn collega “Hebben we eigenlijk wel haar geboortedatum gecontroleerd? Ze kon natuurlijk helemaal niks zeggen” “Ow, nee, goed dat je er aan denkt.” We vragen het even aan de arts die lachend zegt: “Nouw, we hebben er maar eentje die er zo bij ligt hoor, da’s echt de vrouw op jullie opdracht. Fijn dat het gelukt is trouwens.” “Zo, die is echt blij dat ze zelf niet hoeft te worstelen met die enorme vrouw!”

Zo vroeg in de ochtend hebben we al weer een leuk avontuur achter de rug als we snel naar de volgende afdeling lopen waar onze collega’s al naar toe zijn met de prikkarretjes. 1-0 voor de eredivisie vampiertjes.

Zuid Amerikaans

Ze kijkt me aan met een blik die zegt: “Dat mééééééén je niet, ga jij mij prikken?” als ze in de opening van mijn prikkabine blijft staan. “Joh, wat kijk je verbaasd” zeg ik om het ijs even te breken, want waarschijnlijk moet ze bij de kinderprik zijn en is ze per ongeluk iets te vroeg afgeslagen. Als ze mij haar prikopdracht geeft zie ik aan haar geboortedatum dat ik er minstens acht jaar naast zit, want iedereen boven de zestien wordt als volwassene geprikt. Ik heb echt geen idee waarom ze me zo verbaasd aankijkt, dus ik vraag haar of ze wil gaan zitten en haar geboortedatum wil bevestigen. De datum klopt en de prachtige Spaanse achternaam met haar uiterlijk verraad dat ze waarschijnlijk uit Zuid Amerika komt.

“Kom je uit Zuid Amerika?” vraag ik haar en ze antwoordt met “Ik vind het echt heel eng dit.” Als ik haar een klein beetje verbaasd aankijk zegt ze er snel de naam van het land achteraan waar ze oorspronkelijk vandaan komt. Het is inderdaad Zuid Amerika.

“Kan je dit wel goed?” vraagt ze terwijl ze haar mouwen met gekruiste armen stevig naar beneden vasthoudt. “Ja hoor, ik ben hier heel erg goed in” hoor ik mezelf tot mijn verbazing zeggen. Normaal zou ik zeggen dat ik daar niet over kan oordelen en dat ze dat aan mijn collega’s moet vragen die mij wel eens hebben zien prikken, maar mijn gevoel zegt dat ik haar angst beter wegneem door super zelfverzekerd over te komen.

Als ik haar help de mouw van haar linkerarm op te stropen zie ik een enorme ader op haar onderarm liggen. “Wow, moet je kijken joh, die kan ik met mijn ogen dicht en mijn handen op mijn rug nog raak prikken” bluf ik een beetje. Het helpt, want ze strekt haar arm, maakt een vuist en kijkt over haar schouder van mij af om maar zeker te zijn dat ze niets gaat zien van het prikken.

Als ik het beschermkapje van mijn naaldje afhaal en voor de laatste keer haar ader voel zegt ze “Nee, niet doen, nee niet doen, nee niet doen…..” Ze houdt haar arm gestrekt met een flinke vuist en ik besef dat als ze het echt niet wil ze gewoon kan opstaan en weglopen, dus ik zeg dwars door haar heen “Komt het prikje” en zit precies in het midden van haar ader. Het eerste buisje vult zich met een dikke straal als ik zeg: “Nou doet het geen pijn meer toch?” Met enige tegenzin geeft ze toe dat ze nu geen pijn meer heeft.

“Zo, dat was de laatste al weer….” wordt beantwoord met een angstig gezicht die naadloos overgaat in een blik van verbazing als ik de naald uit haar arm haal. “Ow, dat deed niet zo’n zeer als ik gedacht had” zegt ze. “Tuurlijk niet joh, ik zei toch dat ik het hartstikke goed kan.” Ik kan mijn lachen maar met moeite bedwingen.

Terwijl ik het kussentje stevig aangedrukt hou op haar onderarm lees ik zo Spaans mogelijk haar achternaam op en zeg dat ik jaloers ben op zo’n exotische naam. Ze kijkt trots en voor het eerst sinds onze ontmoeting is het ijs een beetje gebroken als ze ook mijn naam vraagt. Ze was gewoon hartstikke bang en is nu stiekem toch wel blij dat het zo goed gegaan is.

Als ik onder het kussentje gluur zie ik dat mijn kleine gaatje al weer is opgevuld met bloedplaatjes en ik plak het stevig vast met een stuk tape. Het uiteinde vouw ik eventjes om zodat het er straks makkelijk af te halen is.

“En? Zeg eens eerlijk, viel het mee of tegen achteraf gezien?” Ik zie haar twijfelen of ze de waarheid moet spreken. Ze doet het. “Eigenlijk viel het wel mee.” En met “maar die prik blijft vervelend hoor” geeft ze nog wel even mee dat haar initiële twijfel niet ongegrond was.

Ze staat op en pakt haar jas. Als ze haar jas aanheeft kijkt ze me recht aan en ik zie dat ze ergens over twijfelt. Ze heeft prachtige zwarte ogen en mooi lang krullend haar. Nu het prikken achter de rug is staat er geen zenuwachtig kindje meer. Hier staat een vrouw die trots is op zichzelf dat ze het doorstaan heeft. “Nou, OK doei hè” hoor ik haar zeggen en ze is in een flits verdwenen. Mijn rechterhand drukt al weer op de “Next” knop en ik moet gauw de buisjes stickeren, want ik kan de voetstappen van de volgende patiënt al weer horen.

Stoned

Het blijft gelukkig superspannend. Een druk op het “next” knopje en er kan van alles je prikkabine binnenwandelen. Een oude man in een rolstoel, een jonge vrouw met een kind, een bodybuilder of een student.

Ik hou mijn oren vol spanning gespitst. Hoor ik mensen praten? Dan komt iemand onder begeleiding. Hoor ik een langzame sloffende tred, dan is het een bejaarde waar ik even de tijd voor moet nemen.

Deze keer is het onmiskenbaar het hoge geluid van een klein koptelefoontje. Het geluid dat je hoort als iemand z’n muziekspelertje keihard zet en de oortjes nonchalant op de borst laat hangen. Dit gaat geen bejaarde worden is mijn vermoeden. En inderdaad, de strakke beat wordt begeleid door een jonge jongen die heel relaxed met zijn blikje energy drink binnensloft. Geheel volgens de laatste mode gekleed met baggy jeans, een leren jas en bedraad met een klein wit koptelefoontje waaruit een beat komt die nog steeds dezelfde is als een halve minuut geleden. Vooroordelen hou ik niet van, maar ik durf aan te nemen dat deze jongen geen operaliefhebber is.

“Ik mag hier zeker niet drinken hè dokter?” vraagt hij vriendelijk. “Nou, weet je wat,” zeg ik terwijl ik mijn hand uitsteek om zijn blikje aan te pakken, “ ik zet het eventjes hier neer, dan kan je het straks lekker verder opdrinken.” Zonder twijfel reikt hij mij het blikje aan. Zijn ogen zien een klein beetje rood.

“Meneer….” hij kijkt mij aan met een lichte schaamte in zijn blik. “Meneer…. Is het erg als ik een beetje geblowd heb?” Die zag ik even niet aankomen en ik schakel even in een hogere versnelling om hier adrem op te reageren. Ik besluit het antwoord serieus te houden met een geruststellend eindje. “Of het voor de bloedwaarden uitmaakt weet ik niet, maar misschien ben je wel relaxed… eh… chill op deze manier.” Waarschijnlijk had hij een berisping verwacht van mij, want hij kijkt mij enigszins verbaasd aan. Wij mogen er van uit gaan dat zijn arts hem de juiste instructies heeft gegeven en ik ben niet in de positie om te zeggen dat hij de volgende dag terug mag komen zonder drugs te hebben gebruikt. Hij gedraagt zich heel rustig en ik schat in dat hij zich niet raar zal gaan gedragen.

Het zijn 8 buisjes die afgenomen moeten worden bij deze jonge knul. Ik zie bij twee buisjes dezelfde tests staan en vraag even na of het nodig is die beide af te nemen. Dat blijkt zo en ik besluit later maar even na te vragen waarom dat is, eerst maar even bloed afnemen.

Zijn aderen voelen aan als die van een bejaarde. Dun en hard. Dat is heel vreemd, want deze jongen zit nog half in zijn pubertijd. Tot mijn stomme verbazing komt er geen bloed in het eerste buisje dat ik in de houder druk. Ik voel voorzichtig naast de naald en ik heb duidelijk misgeprikt. Ik baal, maar laat er niets van merken. Het is nog mogelijk om de naald een klein stukje terug te trekken en dan opnieuw te prikken, maar ik hou niet zo van de ‘wroet en poer’ techniek, dus ik haal de naald uit zijn arm. Volgens mij heeft hij nauwelijks iets gemerkt.

In het hokje tegenover mij is mijn collega net klaar met zijn patiënt en ik kijk hem een beetje sip aan met de mededeling “Ik heb misgeprikt….” “Je mag zijn andere arm nog even proberen, maar ik wil het ook wel doen hoor” zegt hij heel geruststellend. Daar ben ik blij mee.

We verhuizen even naar de overkant en mijn collega is ook verbaasd over de textuur van de vaten van deze jonge man. Mijn aderkeuze was prima als hij zegt: “Ik prik hem er gewoon vlak onder hoor.” De meester aan het werk, de buisjes vullen zich perfect.

Als de jongen wegloopt, kijken we elkaar vertederd aan “Ach gossie, zo’n jongen…” zegt mijn collega. Ik begrijp precies wat hij bedoelt. Ik draai me om om de volgende patiënt op te roepen. In mijn ooghoek zie ik een blikje energy drink staan. Als ik het al vergeten was, zal mijn vriendelijke blower het ook wel niet meer weten. Ik zet het even uit het zicht en wacht op de volgende verrassing.

Pinguïnpleister

Vandaag mag ik terug naar mijn roots. Het is pas een paar weekjes geleden, maar het lijkt een eeuwigheid. Na de prikronde word ik gevraagd om bij te springen op de prikpoli omdat het nogal druk is. Ik pak mijn kans, want op de prikpoli valt veel te leren. Je prikt aan één stuk door en er zitten erg veel collega’s om je heen met bergen ervaring die je zo af en toe nog een trucje kunnen toestoppen.

Met de ervaring die ik inmiddels heb opgedaan tijdens de prikronde gaat het fantastisch. Nauwelijks sclerotische (verharde) vaten die je bij oude mensen nogal vaak ziet en veel jonge mensen met grote soepele vaten. En er komen zo af en toe wat onverwachte patiënten binnen.

Het licht uit de gang valt een klein beetje weg als mijn volgende patiënt binnenwandelt. Het is een hele grote man en zijn armen zijn enorm. Als hij zijn mouw opstroopt zie ik een biceps waar Arnold nog een puntje aan kan zuigen. “Sportschool?” vraag ik aan de jonge man. “Ja, een beetje” zegt hij bescheiden. Ik geloof er niks van. Met zulke armen lig je minstens drie keer per week ijzer omhoog te duwen in de gym, maar met deze man ga ik niet in discussie. Iemand met zulke armen heeft altijd gelijk. Zolang het mijn werk niet beïnvloed tenminste.

In zijn onderarm zie ik één van de grootste aderen die ik ooit gezien heb. Hij is bijna twee centimeter breed. “Als ik nu mis prik ga ik een andere baan zoeken” zeg ik tegen de man die heel relaxed achterover leunt in mijn prikstoel. Hij past er net in. Mijn stuwband had ik thuis kunnen laten, maar voor de vorm doe ik hem even om en trek hem losjes aan. De groene naald die we gebruiken is de dikste van allemaal met z’n 0.8 millimeter doorsnede, maar zelfs dit naaldje moet oppassen dat hij zich niet verslikt in de keiharde straal bloed die uit mijn patiënt spuit. Het buisje gromt zachtjes van de druk en ik doe gauw de stuwband af, maar dat maakt geen verschil. “Uw hart pompt nog aardig hoor mijnheer” zeg ik terwijl ik moeite heb met het bijhouden van het tempo waarin de buisjes zich vullen. Het klusje is dan ook in no-time klaar en ik kan mijn baantje houden. Met een Amsterdams “Mazzel hè” vertrekt de grote man en sticker ik de warme buisjes waarna ik ze maar meteen eventjes veilig wegbreng. Geen man om ruzie mee te krijgen, hoewel ik vermoed dat hij het geen enkel probleem zou vinden om nog een keer geprikt te worden.

Als de lange dag ten einde is vraagt een van mijn leuke collega’s waarom ik een kinderpleister op het topje van mijn wijsvinger heb zitten. Het is een leuke pleister met daarop een pinguïn die alle patiënten heeft aangekeken die langskwamen vandaag. Bij een aantal patiënten heb ik even een kleine verklaring af moeten leggen waarom ik een pleister op mijn vinger draag, zoals bij het jongetje die keihard tegen zijn bloednerveuze moeder schreeuwde: “Kijk mama, de dokter heeft ook een pleister, net als papa!” Ik kan me voorstellen dat het niet meteen vertrouwen wekt als degene die een naald in je arm gaat steken zo onhandig is dat hij zichzelf prikt. Het was gelukkig geen bedrijfsongeval zoals velen dachten, maar prikken met een pleister op de vinger waar je normaal gesproken aderen mee zoekt is niet ideaal. De middel en ringvinger bleken het trucje gelukkig erg snel door te hebben.

Omdat we onze handen schoonmaken met alcoholgel tussen het prikken door heb ik bijna vijf pinguïnpleisters versleten en mijn collega zegt een betere oplossing te hebben voor als ik het nog een keer nodig heb. Ik hoor wat gegiechel achter mij als zij mij de oplossing aanreikt.

Het lijkt op iets waar verliefde kabouters waarschijnlijk meer aan hebben dan ik, maar aangezien niemand ooit heeft kunnen bewijzen dat Rien Poortvliet met levende modellen heeft gewerkt snap ik al snel wat het werkelijke doel van dit beschermende instrument, gemaakt van het sap van een exotische boom, voor dient. Ik bewaar het maar even in mijn kluisje, want het is vrijdag en in het weekend ga ik hier niet veel aan hebben.

Prikles

Sommige patiënten hebben hun eigen kamer, sommigen liggen met meerdere op een kleine zaal en op iedere afdeling zijn een paar kamers die flink groter zijn dan de andere. Zo ook de eerste kamer waar ik vandaag naar binnen wandel. Er staat maar één bed, maar er hadden er makkelijk twee of drie in gekund. De oude dame die op de rand van haar bed een boterham zit te smeren is ruim behuisd.

Met “O, kom je bloed prikken?” wordt mijn openingszin in de kiem gesmoord. “Ja mevrouw, ik be…..” “Nou, kom maar, ik vertel je wel even wat je doen moet.” Mijn nieuwsgierigheid is gewekt naar de prikles die deze montere dame mij wil gaan geven. “Deze arm moet je hebben en dan moet je hier prikken” zegt de dame terwijl ze naar een flinke blauwe plek wijst op haar linkerarm. “Bent u daar al vaker geprikt mevrouw?” vraag ik als opmaat voor mijn lichte bezwaar tegen de hematoom die mij aanstaart vanuit haar elleboogholte. “Ik word daar altijd geprikt en dat is de enige plek waar het goed gaat, dus doe maar.” “Er zit wel een flink hematoom mevrouw, daar prikken we liever niet in.” Voor het eerst na mijn binnenkomst zie ik dat de vrouw haar twijfel mindert over mijn vakkundigheid.

“Dan moet je even zo’n bandje omdoen… en zou je het grote licht niet even aandoen?” commandeert ze voort. “Goed idee mevrouw” acteer ik mee, “weet u waar het knopje zit?” “Probeer die daar op de muur maar even.” Het blijkt de juiste knop en het licht knippert aan. Veel licht hebben we niet nodig bij het bloed afnemen, want aderen vinden we door te voelen, niet door te kijken, maar als ik deze mevrouw het gevoel kan geven dat ze de touwtjes in handen heeft door het lichtknopje om te zetten is dat een kleine moeite met een groot resultaat.

Ik bestudeer de lelijke blauwe plek die op haar arm zit en ontdek dat ik het hematoom van de ader weg kan duwen zodat een ongeschonden stukje huid over de punctieplaats komt te liggen. Echt moeilijk lijkt het niet te gaan worden, want de ader is dikker dan bij de meeste oudere mensen. “Ja, precies, daar en dan niet op die bobbel, maar vlak daar onder” wordt ik gesouffleerd. Het is een prima plek en nu het hematoom uit de weg is zie ik geen bezwaar om daar te prikken. Het zwarte naaldje gaat snel de ader in en mijn eerste buisje vult zich goed. Het tweede buisje heeft al net zo weinig moeite om zich vol te zuigen en de derde gaat ook prima. Buisje er uit, kussentje er op, naaldje er uit. “Het is al weer klaar mevrouw.” In haar blik zie ik opluchting dat dit knulletje het klusje goed heeft volbracht dankzij haar aanwijzingen.

Als ik onder het kussentje gluur om te kijken of het bloeden is gestopt zie ik een grote druppel bloed uit haar ader komen. Ik hoef niet te vragen of mevrouw bloedverdunners gebruikt. Dat is wel duidelijk. Ik pak snel twee nieuwe kussentjes en druk het wondje af. Terwijl de vrouw de kussentjes vasthoudt maak ik een flinke plakker van drie stukken tape om er overheen te doen.

“Plak je wel even de stickers op de buisjes?” vraagt de dame terwijl ik de laatste rommeltjes van haar bed raap. Ik loop naar het tafeltje waar mijn prikbakje staat en haal de drie reeds gestickerde buisjes uit het rekje om ze aan de vrouw te laten zien. “Kijkt u maar, alle drie met uw naam er op.” Ze kijkt, maar ik vermoed dat de kleine lettertjes onleesbaar voor haar zijn. Ze richt zich al weer tot haar boterhammetjes.

Met “Ja, want laatst was hier ook zo’n jonkie en die maakte er een potje van” geeft ze de reden van haar argwaan richting mij. “Nou, dat gaat vandaag niet gebeuren hoor mevrouw.” Hartelijk dank voor uw aanwijzingen, op deze manier was het een fluitje van een cent.

Deze mevrouw houdt van orde, dus ik ruim demonstratief de stoel op die ik heb gebruikt en vraag haar of ik het licht moet uitdoen onderweg naar buiten. Een glimlach zit er niet in vandaag, maar haar ogen staan een stuk rustiger dan toen ik binnenkwam als ze zegt: “Nee hoor, laat maar aan.”

Met een brede glimlach op mijn gezicht loop ik terug naar de prikkar. Mijn collega ziet het en zegt: “Nou, dat ging zeker wel goed hè?” “Ja, ik heb even prikles gehad van een oude dame.” “Wat kunnen ze leuk zijn hè die oudjes?” antwoord ze met een glimlach. Mijn dag kan niet meer stuk in elk geval.

Code D

De naprik ronde zit er op. Als patiënten tussen half negen en half elf niet aanwezig zijn of te moeilijk te prikken, dan wordt de prikopdracht doorgeschoven naar de ‘veegploeg’ die in dit geval bestaat uit mij en een collega. Een collega die zo veel rust uitstraalt dat inmiddels al drie patiënten met naald en al in hun arm in slaap zijn gevallen terwijl zij bloed aan het afnemen was. Als ik haar het geheim vraag van haar Klaas Vaak techniek grapt ze dat ze haar patiënten ‘gewoon hypnotiseert.’ Ik vraag maar niet verder, want ik vermoed dat er een klein beetje toverkracht aan te pas komt die niet voor iedereen is weggelegd. Het is in elk geval mooi om te zien. Zij die zegt: “Komt het prikje hoor…..” en de patiënt die antwoord met “Zzzzzzzzzzzzz…….”

De naprik liep zeer voorspoedig. Van de tien patiënten hebben we slechts één briefje hoeven achterlaten aan de arts en dat was ook nog omdat de patiënt niet aanwezig was, dus van alle naveegpatiënten komen we terug met wat bloed. Het waren bijna twee briefjes omdat we bij een zeer moeilijk te prikken patiënte na allebei één keer geprikt te hebben wilden stoppen, maar de patiënte zelf vroeg of we het niet nog even een keer in haar hand wilden proberen. “Ja, ik wil zo snel mogelijk de uitslag, want dan mag ik eerder naar huis.” En ja, als een patiënt vraagt om geprikt te worden, dan kan je dat natuurlijk niet weigeren.

Als we de volbrachte opdrachten afleveren in het bloedlaboratorium krijgen we van de analiste nog één onvoldane opdracht toegeschoven. Er staat op “Patiënt bezig onwel te worden.” met daaronder “Patiënt onwel geworden.” en de naam van een collega die blijkbaar goed kan zien wanneer iemand onwel gaat worden, want zo te zien was de voorspelling feilloos uitgekomen.

Wij houden er beide van om ons werk netjes af te sluiten, dus pakken we met hernieuwde goede moed een koffer met prikspullen en vertrekken we met de lift naar de allerlaatste patiënt van de dag.

In het begin was het vinden van de juiste afdeling af en toe nog een zoekplaatje, maar na een prikrondje of vijftien weet ik inmiddels wel waar de kamers zijn en met de ruime ervaring van mijn collega speren we feilloos naar de juiste kamer.

Op de deur hangt een handgeschreven briefje “Alle bezoek eerst melden bij de receptie.” Het is natuurlijk even de vraag of wij ‘bezoek’ zijn, maar om het zekere voor het onzekere te nemen melden wij ons bij de receptie.

“Goedemiddag, wij komen wat bloed afnemen, maar we zien dat er een briefje hangt dat we ons eerst even moeten melden.” “Ja, dat is overbodig hoor, mijnheer is overleden” zegt de dame achter de balie. Ik zou hem zelf iets subtieler gebracht hebben, maar heb alle begrip voor de verontwaardigde toon in haar stem. “Hoe haal je het in je hoofd om bloed af te gaan nemen bij een overleden patiënt?” zie ik haar denken, terwijl ik het op mijn beurt wel netjes had gevonden als dit nieuws even aan ons was doorgegeven, want het komt mij ook koud op mijn dak vallen. Met een neutraal “dan gaat het over” verlaten we de afdeling.

Onderweg terug naar het lab heb ik er lang voor nodig om te verzinnen wat ik als laatste ode aan deze overleden mijnheer op de prikopdracht moet zetten. “Pijp aan Maarten gegeven” komt in mij op, maar eigenlijk heb ik geen idee wie die Maarten is en wat hij met een pijp zou moeten. “Kassie wijle” zou bij het Amsterdamse karakter van het ziekenhuis passen, maar is wel erg Bargoens. “Patiënt is hemelen” is best mooi, maar niet gepast als hij misschien een hekel had aan geloof.

Mijn collega haalt mij uit mijn dagdroom en voelt mijn dilemma feilloos aan met de woorden “Zet er maar “code D” op, dan weten ze wel wat je bedoelt.” Die kende ik nog niet. Een mooie term, maar een klein beetje onpersoonlijk vind ik zelf. We lopen het lab al bijna binnen als ik het maar even hou op “Patiënt overleden.” Zelf geloof ik er eerlijk gezegd niet in, maar stiekem hoop ik dat het toch “Patiënt is hemelen” is geworden.

Spreekwoorden

Oudere mensen die op de poli geprikt moeten worden en in een rolstoel zitten vallen in vier categorieën. Een aantal komt op eigen kracht binnen, meestal in een eigen rolstoel en niet zo één van het ziekenhuis met een infuuspaal er aan vastgelast. Sommige worden geholpen. Deze mensen worden naar binnen gereden, neergezet en de persoon die de rolstoel duwde gaat stilletjes op onze gastenkruk zitten wachten tot alles klaar is. Sommige worden afgeleverd. Deze worden binnengereden en alleen achtergelaten met de opmerking “Ik haal nog even een kop koffie hoor, dit zal wel weer even gaan duren.” De laatste categorie is mensen die begeleid worden. Zij worden door hun begeleider in de juiste positie geplaatst, uit hun jas geholpen en hun hand wordt vastgehouden tijdens het prikken. Vanzelfsprekend de leukste categorie. Mijn volgende patiënte valt in de laatste categorie.

Een in elkaar gezakt vrouwtje wordt binnengereden en mijn “zo… wie mag ik prikken” wordt ontvangen met twee vragende blikken. Jammer, hij komt niet aan…. Ik pak de gele prikopdracht aan van de dame in de rolstoel en zie dat zij voor 1920 geboren is. Als ik met ontzag in mijn stem haar geboortedatum noem zegt de dame “Ja, ik ben nog uit de tijd van de houten gulden.” Ik kan er hardop om lachen. Met een goed gevoel voor humor kan je flink oud worden blijkt maar weer.

“Zeg, je kan toch wel een beetje prikken hè?” vraagt de begeleidster aan me “want ze is twee weken geleden helemaal blauw geprikt.” “Ja, die me toen geprikt heeft had het koperen garen ook niet uitgevonden” vult de oude dame aan. “Soms moet ik naar de ane… enste….” “Slaapdokter” vul ik haar maar even aan. Ja, precies zegt ze met een glimlach. Voor het eerst zie ik ook de mondhoeken van de begeleidster licht opkrullen. “Gaat goed” denk ik bij mezelf als ik de arm van de vrouw onderzoek.

“Je bent toch wel een beetje bij de wekker vandaag hè?” vraagt de dame mij. Met “wat een hoop spreekwoorden gebruikt u mevrouw” verhul ik dat ik geen idee heb waar ze het over heeft. “Ken je die niet? Ze bedoelt of je een beetje uitgeslapen bent.” “O, nou, als ik in slaap val moet u me maar even wakker maken hoor.”

Haar vaatjes zijn heel zacht, iets wat best bijzonder is voor iemand op die leeftijd en ze rollen alle kanten op. Met “Ze rolle als een dolle hoor, die aderen van mij” verwoord de dame mijn gedachten. “Nou, dat geeft niet mevrouw, dan neem ik ze even in de houdgreep” zeg ik terwijl ik met twee vingers van mijn linkerhand haar vene fixeer. Een goedgemikt prikje levert het gewenste resultaat en er hoeven vandaag geen anestedinges aan te pas te komen om deze vrouw te prikken.

“Ow, gelukkig, het gaat in één keer goed” zegt de begeleidster. In mijn gedachten veeg ik het zweet van mijn voorhoofd. Mazzeltje, maar niks laten merken.

“Dat van dat koperen garen, is dat echt een spreekwoord?” vraag ik terwijl ik met één hand het kussentje op haar arm aandruk en met de andere hand mijn buisjes sticker. Dat laatste heeft wat oefening gekost, maar lukt inmiddels al aardig. “Ze bedoelt dat ie het buskruit niet uitgevonden had.” “Nee hoor, het is echt een uitdrukking” verdedigt de vrouw zichzelf. “Ze verzint ze waar je bij zit hoor” vult de begeleider aan.

De buisjes zitten gestickerd in een bekertje en ik plak het kussentje vast op de arm van de vrouw. “Zo, die arm zit weer vast.” Ze kan er om lachen. De begeleidster legt de jas van de patiënte op haar schoot en het komt zo hoog te liggen dat de dame er niet meer overheen kan kijken. Ik duw het een beetje naar beneden “Zo, anders hebben we straks een verkeersongeval, dat scheelt weer een ritje met de ambulance.” Mijn gebaar wordt gewaardeerd en de dames verlaten beide met een glimlach de prikcabine. Dat zie ik graag. Zeker bij een dame uit de tijd van de houten gulden.