Zuid Amerikaans

Ze kijkt me aan met een blik die zegt: “Dat mééééééén je niet, ga jij mij prikken?” als ze in de opening van mijn prikkabine blijft staan. “Joh, wat kijk je verbaasd” zeg ik om het ijs even te breken, want waarschijnlijk moet ze bij de kinderprik zijn en is ze per ongeluk iets te vroeg afgeslagen. Als ze mij haar prikopdracht geeft zie ik aan haar geboortedatum dat ik er minstens acht jaar naast zit, want iedereen boven de zestien wordt als volwassene geprikt. Ik heb echt geen idee waarom ze me zo verbaasd aankijkt, dus ik vraag haar of ze wil gaan zitten en haar geboortedatum wil bevestigen. De datum klopt en de prachtige Spaanse achternaam met haar uiterlijk verraad dat ze waarschijnlijk uit Zuid Amerika komt.

“Kom je uit Zuid Amerika?” vraag ik haar en ze antwoordt met “Ik vind het echt heel eng dit.” Als ik haar een klein beetje verbaasd aankijk zegt ze er snel de naam van het land achteraan waar ze oorspronkelijk vandaan komt. Het is inderdaad Zuid Amerika.

“Kan je dit wel goed?” vraagt ze terwijl ze haar mouwen met gekruiste armen stevig naar beneden vasthoudt. “Ja hoor, ik ben hier heel erg goed in” hoor ik mezelf tot mijn verbazing zeggen. Normaal zou ik zeggen dat ik daar niet over kan oordelen en dat ze dat aan mijn collega’s moet vragen die mij wel eens hebben zien prikken, maar mijn gevoel zegt dat ik haar angst beter wegneem door super zelfverzekerd over te komen.

Als ik haar help de mouw van haar linkerarm op te stropen zie ik een enorme ader op haar onderarm liggen. “Wow, moet je kijken joh, die kan ik met mijn ogen dicht en mijn handen op mijn rug nog raak prikken” bluf ik een beetje. Het helpt, want ze strekt haar arm, maakt een vuist en kijkt over haar schouder van mij af om maar zeker te zijn dat ze niets gaat zien van het prikken.

Als ik het beschermkapje van mijn naaldje afhaal en voor de laatste keer haar ader voel zegt ze “Nee, niet doen, nee niet doen, nee niet doen…..” Ze houdt haar arm gestrekt met een flinke vuist en ik besef dat als ze het echt niet wil ze gewoon kan opstaan en weglopen, dus ik zeg dwars door haar heen “Komt het prikje” en zit precies in het midden van haar ader. Het eerste buisje vult zich met een dikke straal als ik zeg: “Nou doet het geen pijn meer toch?” Met enige tegenzin geeft ze toe dat ze nu geen pijn meer heeft.

“Zo, dat was de laatste al weer….” wordt beantwoord met een angstig gezicht die naadloos overgaat in een blik van verbazing als ik de naald uit haar arm haal. “Ow, dat deed niet zo’n zeer als ik gedacht had” zegt ze. “Tuurlijk niet joh, ik zei toch dat ik het hartstikke goed kan.” Ik kan mijn lachen maar met moeite bedwingen.

Terwijl ik het kussentje stevig aangedrukt hou op haar onderarm lees ik zo Spaans mogelijk haar achternaam op en zeg dat ik jaloers ben op zo’n exotische naam. Ze kijkt trots en voor het eerst sinds onze ontmoeting is het ijs een beetje gebroken als ze ook mijn naam vraagt. Ze was gewoon hartstikke bang en is nu stiekem toch wel blij dat het zo goed gegaan is.

Als ik onder het kussentje gluur zie ik dat mijn kleine gaatje al weer is opgevuld met bloedplaatjes en ik plak het stevig vast met een stuk tape. Het uiteinde vouw ik eventjes om zodat het er straks makkelijk af te halen is.

“En? Zeg eens eerlijk, viel het mee of tegen achteraf gezien?” Ik zie haar twijfelen of ze de waarheid moet spreken. Ze doet het. “Eigenlijk viel het wel mee.” En met “maar die prik blijft vervelend hoor” geeft ze nog wel even mee dat haar initiële twijfel niet ongegrond was.

Ze staat op en pakt haar jas. Als ze haar jas aanheeft kijkt ze me recht aan en ik zie dat ze ergens over twijfelt. Ze heeft prachtige zwarte ogen en mooi lang krullend haar. Nu het prikken achter de rug is staat er geen zenuwachtig kindje meer. Hier staat een vrouw die trots is op zichzelf dat ze het doorstaan heeft. “Nou, OK doei hè” hoor ik haar zeggen en ze is in een flits verdwenen. Mijn rechterhand drukt al weer op de “Next” knop en ik moet gauw de buisjes stickeren, want ik kan de voetstappen van de volgende patiënt al weer horen.

Stoned

Het blijft gelukkig superspannend. Een druk op het “next” knopje en er kan van alles je prikkabine binnenwandelen. Een oude man in een rolstoel, een jonge vrouw met een kind, een bodybuilder of een student.

Ik hou mijn oren vol spanning gespitst. Hoor ik mensen praten? Dan komt iemand onder begeleiding. Hoor ik een langzame sloffende tred, dan is het een bejaarde waar ik even de tijd voor moet nemen.

Deze keer is het onmiskenbaar het hoge geluid van een klein koptelefoontje. Het geluid dat je hoort als iemand z’n muziekspelertje keihard zet en de oortjes nonchalant op de borst laat hangen. Dit gaat geen bejaarde worden is mijn vermoeden. En inderdaad, de strakke beat wordt begeleid door een jonge jongen die heel relaxed met zijn blikje energy drink binnensloft. Geheel volgens de laatste mode gekleed met baggy jeans, een leren jas en bedraad met een klein wit koptelefoontje waaruit een beat komt die nog steeds dezelfde is als een halve minuut geleden. Vooroordelen hou ik niet van, maar ik durf aan te nemen dat deze jongen geen operaliefhebber is.

“Ik mag hier zeker niet drinken hè dokter?” vraagt hij vriendelijk. “Nou, weet je wat,” zeg ik terwijl ik mijn hand uitsteek om zijn blikje aan te pakken, “ ik zet het eventjes hier neer, dan kan je het straks lekker verder opdrinken.” Zonder twijfel reikt hij mij het blikje aan. Zijn ogen zien een klein beetje rood.

“Meneer….” hij kijkt mij aan met een lichte schaamte in zijn blik. “Meneer…. Is het erg als ik een beetje geblowd heb?” Die zag ik even niet aankomen en ik schakel even in een hogere versnelling om hier adrem op te reageren. Ik besluit het antwoord serieus te houden met een geruststellend eindje. “Of het voor de bloedwaarden uitmaakt weet ik niet, maar misschien ben je wel relaxed… eh… chill op deze manier.” Waarschijnlijk had hij een berisping verwacht van mij, want hij kijkt mij enigszins verbaasd aan. Wij mogen er van uit gaan dat zijn arts hem de juiste instructies heeft gegeven en ik ben niet in de positie om te zeggen dat hij de volgende dag terug mag komen zonder drugs te hebben gebruikt. Hij gedraagt zich heel rustig en ik schat in dat hij zich niet raar zal gaan gedragen.

Het zijn 8 buisjes die afgenomen moeten worden bij deze jonge knul. Ik zie bij twee buisjes dezelfde tests staan en vraag even na of het nodig is die beide af te nemen. Dat blijkt zo en ik besluit later maar even na te vragen waarom dat is, eerst maar even bloed afnemen.

Zijn aderen voelen aan als die van een bejaarde. Dun en hard. Dat is heel vreemd, want deze jongen zit nog half in zijn pubertijd. Tot mijn stomme verbazing komt er geen bloed in het eerste buisje dat ik in de houder druk. Ik voel voorzichtig naast de naald en ik heb duidelijk misgeprikt. Ik baal, maar laat er niets van merken. Het is nog mogelijk om de naald een klein stukje terug te trekken en dan opnieuw te prikken, maar ik hou niet zo van de ‘wroet en poer’ techniek, dus ik haal de naald uit zijn arm. Volgens mij heeft hij nauwelijks iets gemerkt.

In het hokje tegenover mij is mijn collega net klaar met zijn patiënt en ik kijk hem een beetje sip aan met de mededeling “Ik heb misgeprikt….” “Je mag zijn andere arm nog even proberen, maar ik wil het ook wel doen hoor” zegt hij heel geruststellend. Daar ben ik blij mee.

We verhuizen even naar de overkant en mijn collega is ook verbaasd over de textuur van de vaten van deze jonge man. Mijn aderkeuze was prima als hij zegt: “Ik prik hem er gewoon vlak onder hoor.” De meester aan het werk, de buisjes vullen zich perfect.

Als de jongen wegloopt, kijken we elkaar vertederd aan “Ach gossie, zo’n jongen…” zegt mijn collega. Ik begrijp precies wat hij bedoelt. Ik draai me om om de volgende patiënt op te roepen. In mijn ooghoek zie ik een blikje energy drink staan. Als ik het al vergeten was, zal mijn vriendelijke blower het ook wel niet meer weten. Ik zet het even uit het zicht en wacht op de volgende verrassing.

Pinguïnpleister

Vandaag mag ik terug naar mijn roots. Het is pas een paar weekjes geleden, maar het lijkt een eeuwigheid. Na de prikronde word ik gevraagd om bij te springen op de prikpoli omdat het nogal druk is. Ik pak mijn kans, want op de prikpoli valt veel te leren. Je prikt aan één stuk door en er zitten erg veel collega’s om je heen met bergen ervaring die je zo af en toe nog een trucje kunnen toestoppen.

Met de ervaring die ik inmiddels heb opgedaan tijdens de prikronde gaat het fantastisch. Nauwelijks sclerotische (verharde) vaten die je bij oude mensen nogal vaak ziet en veel jonge mensen met grote soepele vaten. En er komen zo af en toe wat onverwachte patiënten binnen.

Het licht uit de gang valt een klein beetje weg als mijn volgende patiënt binnenwandelt. Het is een hele grote man en zijn armen zijn enorm. Als hij zijn mouw opstroopt zie ik een biceps waar Arnold nog een puntje aan kan zuigen. “Sportschool?” vraag ik aan de jonge man. “Ja, een beetje” zegt hij bescheiden. Ik geloof er niks van. Met zulke armen lig je minstens drie keer per week ijzer omhoog te duwen in de gym, maar met deze man ga ik niet in discussie. Iemand met zulke armen heeft altijd gelijk. Zolang het mijn werk niet beïnvloed tenminste.

In zijn onderarm zie ik één van de grootste aderen die ik ooit gezien heb. Hij is bijna twee centimeter breed. “Als ik nu mis prik ga ik een andere baan zoeken” zeg ik tegen de man die heel relaxed achterover leunt in mijn prikstoel. Hij past er net in. Mijn stuwband had ik thuis kunnen laten, maar voor de vorm doe ik hem even om en trek hem losjes aan. De groene naald die we gebruiken is de dikste van allemaal met z’n 0.8 millimeter doorsnede, maar zelfs dit naaldje moet oppassen dat hij zich niet verslikt in de keiharde straal bloed die uit mijn patiënt spuit. Het buisje gromt zachtjes van de druk en ik doe gauw de stuwband af, maar dat maakt geen verschil. “Uw hart pompt nog aardig hoor mijnheer” zeg ik terwijl ik moeite heb met het bijhouden van het tempo waarin de buisjes zich vullen. Het klusje is dan ook in no-time klaar en ik kan mijn baantje houden. Met een Amsterdams “Mazzel hè” vertrekt de grote man en sticker ik de warme buisjes waarna ik ze maar meteen eventjes veilig wegbreng. Geen man om ruzie mee te krijgen, hoewel ik vermoed dat hij het geen enkel probleem zou vinden om nog een keer geprikt te worden.

Als de lange dag ten einde is vraagt een van mijn leuke collega’s waarom ik een kinderpleister op het topje van mijn wijsvinger heb zitten. Het is een leuke pleister met daarop een pinguïn die alle patiënten heeft aangekeken die langskwamen vandaag. Bij een aantal patiënten heb ik even een kleine verklaring af moeten leggen waarom ik een pleister op mijn vinger draag, zoals bij het jongetje die keihard tegen zijn bloednerveuze moeder schreeuwde: “Kijk mama, de dokter heeft ook een pleister, net als papa!” Ik kan me voorstellen dat het niet meteen vertrouwen wekt als degene die een naald in je arm gaat steken zo onhandig is dat hij zichzelf prikt. Het was gelukkig geen bedrijfsongeval zoals velen dachten, maar prikken met een pleister op de vinger waar je normaal gesproken aderen mee zoekt is niet ideaal. De middel en ringvinger bleken het trucje gelukkig erg snel door te hebben.

Omdat we onze handen schoonmaken met alcoholgel tussen het prikken door heb ik bijna vijf pinguïnpleisters versleten en mijn collega zegt een betere oplossing te hebben voor als ik het nog een keer nodig heb. Ik hoor wat gegiechel achter mij als zij mij de oplossing aanreikt.

Het lijkt op iets waar verliefde kabouters waarschijnlijk meer aan hebben dan ik, maar aangezien niemand ooit heeft kunnen bewijzen dat Rien Poortvliet met levende modellen heeft gewerkt snap ik al snel wat het werkelijke doel van dit beschermende instrument, gemaakt van het sap van een exotische boom, voor dient. Ik bewaar het maar even in mijn kluisje, want het is vrijdag en in het weekend ga ik hier niet veel aan hebben.

Prikles

Sommige patiënten hebben hun eigen kamer, sommigen liggen met meerdere op een kleine zaal en op iedere afdeling zijn een paar kamers die flink groter zijn dan de andere. Zo ook de eerste kamer waar ik vandaag naar binnen wandel. Er staat maar één bed, maar er hadden er makkelijk twee of drie in gekund. De oude dame die op de rand van haar bed een boterham zit te smeren is ruim behuisd.

Met “O, kom je bloed prikken?” wordt mijn openingszin in de kiem gesmoord. “Ja mevrouw, ik be…..” “Nou, kom maar, ik vertel je wel even wat je doen moet.” Mijn nieuwsgierigheid is gewekt naar de prikles die deze montere dame mij wil gaan geven. “Deze arm moet je hebben en dan moet je hier prikken” zegt de dame terwijl ze naar een flinke blauwe plek wijst op haar linkerarm. “Bent u daar al vaker geprikt mevrouw?” vraag ik als opmaat voor mijn lichte bezwaar tegen de hematoom die mij aanstaart vanuit haar elleboogholte. “Ik word daar altijd geprikt en dat is de enige plek waar het goed gaat, dus doe maar.” “Er zit wel een flink hematoom mevrouw, daar prikken we liever niet in.” Voor het eerst na mijn binnenkomst zie ik dat de vrouw haar twijfel mindert over mijn vakkundigheid.

“Dan moet je even zo’n bandje omdoen… en zou je het grote licht niet even aandoen?” commandeert ze voort. “Goed idee mevrouw” acteer ik mee, “weet u waar het knopje zit?” “Probeer die daar op de muur maar even.” Het blijkt de juiste knop en het licht knippert aan. Veel licht hebben we niet nodig bij het bloed afnemen, want aderen vinden we door te voelen, niet door te kijken, maar als ik deze mevrouw het gevoel kan geven dat ze de touwtjes in handen heeft door het lichtknopje om te zetten is dat een kleine moeite met een groot resultaat.

Ik bestudeer de lelijke blauwe plek die op haar arm zit en ontdek dat ik het hematoom van de ader weg kan duwen zodat een ongeschonden stukje huid over de punctieplaats komt te liggen. Echt moeilijk lijkt het niet te gaan worden, want de ader is dikker dan bij de meeste oudere mensen. “Ja, precies, daar en dan niet op die bobbel, maar vlak daar onder” wordt ik gesouffleerd. Het is een prima plek en nu het hematoom uit de weg is zie ik geen bezwaar om daar te prikken. Het zwarte naaldje gaat snel de ader in en mijn eerste buisje vult zich goed. Het tweede buisje heeft al net zo weinig moeite om zich vol te zuigen en de derde gaat ook prima. Buisje er uit, kussentje er op, naaldje er uit. “Het is al weer klaar mevrouw.” In haar blik zie ik opluchting dat dit knulletje het klusje goed heeft volbracht dankzij haar aanwijzingen.

Als ik onder het kussentje gluur om te kijken of het bloeden is gestopt zie ik een grote druppel bloed uit haar ader komen. Ik hoef niet te vragen of mevrouw bloedverdunners gebruikt. Dat is wel duidelijk. Ik pak snel twee nieuwe kussentjes en druk het wondje af. Terwijl de vrouw de kussentjes vasthoudt maak ik een flinke plakker van drie stukken tape om er overheen te doen.

“Plak je wel even de stickers op de buisjes?” vraagt de dame terwijl ik de laatste rommeltjes van haar bed raap. Ik loop naar het tafeltje waar mijn prikbakje staat en haal de drie reeds gestickerde buisjes uit het rekje om ze aan de vrouw te laten zien. “Kijkt u maar, alle drie met uw naam er op.” Ze kijkt, maar ik vermoed dat de kleine lettertjes onleesbaar voor haar zijn. Ze richt zich al weer tot haar boterhammetjes.

Met “Ja, want laatst was hier ook zo’n jonkie en die maakte er een potje van” geeft ze de reden van haar argwaan richting mij. “Nou, dat gaat vandaag niet gebeuren hoor mevrouw.” Hartelijk dank voor uw aanwijzingen, op deze manier was het een fluitje van een cent.

Deze mevrouw houdt van orde, dus ik ruim demonstratief de stoel op die ik heb gebruikt en vraag haar of ik het licht moet uitdoen onderweg naar buiten. Een glimlach zit er niet in vandaag, maar haar ogen staan een stuk rustiger dan toen ik binnenkwam als ze zegt: “Nee hoor, laat maar aan.”

Met een brede glimlach op mijn gezicht loop ik terug naar de prikkar. Mijn collega ziet het en zegt: “Nou, dat ging zeker wel goed hè?” “Ja, ik heb even prikles gehad van een oude dame.” “Wat kunnen ze leuk zijn hè die oudjes?” antwoord ze met een glimlach. Mijn dag kan niet meer stuk in elk geval.

Code D

De naprik ronde zit er op. Als patiënten tussen half negen en half elf niet aanwezig zijn of te moeilijk te prikken, dan wordt de prikopdracht doorgeschoven naar de ‘veegploeg’ die in dit geval bestaat uit mij en een collega. Een collega die zo veel rust uitstraalt dat inmiddels al drie patiënten met naald en al in hun arm in slaap zijn gevallen terwijl zij bloed aan het afnemen was. Als ik haar het geheim vraag van haar Klaas Vaak techniek grapt ze dat ze haar patiënten ‘gewoon hypnotiseert.’ Ik vraag maar niet verder, want ik vermoed dat er een klein beetje toverkracht aan te pas komt die niet voor iedereen is weggelegd. Het is in elk geval mooi om te zien. Zij die zegt: “Komt het prikje hoor…..” en de patiënt die antwoord met “Zzzzzzzzzzzzz…….”

De naprik liep zeer voorspoedig. Van de tien patiënten hebben we slechts één briefje hoeven achterlaten aan de arts en dat was ook nog omdat de patiënt niet aanwezig was, dus van alle naveegpatiënten komen we terug met wat bloed. Het waren bijna twee briefjes omdat we bij een zeer moeilijk te prikken patiënte na allebei één keer geprikt te hebben wilden stoppen, maar de patiënte zelf vroeg of we het niet nog even een keer in haar hand wilden proberen. “Ja, ik wil zo snel mogelijk de uitslag, want dan mag ik eerder naar huis.” En ja, als een patiënt vraagt om geprikt te worden, dan kan je dat natuurlijk niet weigeren.

Als we de volbrachte opdrachten afleveren in het bloedlaboratorium krijgen we van de analiste nog één onvoldane opdracht toegeschoven. Er staat op “Patiënt bezig onwel te worden.” met daaronder “Patiënt onwel geworden.” en de naam van een collega die blijkbaar goed kan zien wanneer iemand onwel gaat worden, want zo te zien was de voorspelling feilloos uitgekomen.

Wij houden er beide van om ons werk netjes af te sluiten, dus pakken we met hernieuwde goede moed een koffer met prikspullen en vertrekken we met de lift naar de allerlaatste patiënt van de dag.

In het begin was het vinden van de juiste afdeling af en toe nog een zoekplaatje, maar na een prikrondje of vijftien weet ik inmiddels wel waar de kamers zijn en met de ruime ervaring van mijn collega speren we feilloos naar de juiste kamer.

Op de deur hangt een handgeschreven briefje “Alle bezoek eerst melden bij de receptie.” Het is natuurlijk even de vraag of wij ‘bezoek’ zijn, maar om het zekere voor het onzekere te nemen melden wij ons bij de receptie.

“Goedemiddag, wij komen wat bloed afnemen, maar we zien dat er een briefje hangt dat we ons eerst even moeten melden.” “Ja, dat is overbodig hoor, mijnheer is overleden” zegt de dame achter de balie. Ik zou hem zelf iets subtieler gebracht hebben, maar heb alle begrip voor de verontwaardigde toon in haar stem. “Hoe haal je het in je hoofd om bloed af te gaan nemen bij een overleden patiënt?” zie ik haar denken, terwijl ik het op mijn beurt wel netjes had gevonden als dit nieuws even aan ons was doorgegeven, want het komt mij ook koud op mijn dak vallen. Met een neutraal “dan gaat het over” verlaten we de afdeling.

Onderweg terug naar het lab heb ik er lang voor nodig om te verzinnen wat ik als laatste ode aan deze overleden mijnheer op de prikopdracht moet zetten. “Pijp aan Maarten gegeven” komt in mij op, maar eigenlijk heb ik geen idee wie die Maarten is en wat hij met een pijp zou moeten. “Kassie wijle” zou bij het Amsterdamse karakter van het ziekenhuis passen, maar is wel erg Bargoens. “Patiënt is hemelen” is best mooi, maar niet gepast als hij misschien een hekel had aan geloof.

Mijn collega haalt mij uit mijn dagdroom en voelt mijn dilemma feilloos aan met de woorden “Zet er maar “code D” op, dan weten ze wel wat je bedoelt.” Die kende ik nog niet. Een mooie term, maar een klein beetje onpersoonlijk vind ik zelf. We lopen het lab al bijna binnen als ik het maar even hou op “Patiënt overleden.” Zelf geloof ik er eerlijk gezegd niet in, maar stiekem hoop ik dat het toch “Patiënt is hemelen” is geworden.

Spreekwoorden

Oudere mensen die op de poli geprikt moeten worden en in een rolstoel zitten vallen in vier categorieën. Een aantal komt op eigen kracht binnen, meestal in een eigen rolstoel en niet zo één van het ziekenhuis met een infuuspaal er aan vastgelast. Sommige worden geholpen. Deze mensen worden naar binnen gereden, neergezet en de persoon die de rolstoel duwde gaat stilletjes op onze gastenkruk zitten wachten tot alles klaar is. Sommige worden afgeleverd. Deze worden binnengereden en alleen achtergelaten met de opmerking “Ik haal nog even een kop koffie hoor, dit zal wel weer even gaan duren.” De laatste categorie is mensen die begeleid worden. Zij worden door hun begeleider in de juiste positie geplaatst, uit hun jas geholpen en hun hand wordt vastgehouden tijdens het prikken. Vanzelfsprekend de leukste categorie. Mijn volgende patiënte valt in de laatste categorie.

Een in elkaar gezakt vrouwtje wordt binnengereden en mijn “zo… wie mag ik prikken” wordt ontvangen met twee vragende blikken. Jammer, hij komt niet aan…. Ik pak de gele prikopdracht aan van de dame in de rolstoel en zie dat zij voor 1920 geboren is. Als ik met ontzag in mijn stem haar geboortedatum noem zegt de dame “Ja, ik ben nog uit de tijd van de houten gulden.” Ik kan er hardop om lachen. Met een goed gevoel voor humor kan je flink oud worden blijkt maar weer.

“Zeg, je kan toch wel een beetje prikken hè?” vraagt de begeleidster aan me “want ze is twee weken geleden helemaal blauw geprikt.” “Ja, die me toen geprikt heeft had het koperen garen ook niet uitgevonden” vult de oude dame aan. “Soms moet ik naar de ane… enste….” “Slaapdokter” vul ik haar maar even aan. Ja, precies zegt ze met een glimlach. Voor het eerst zie ik ook de mondhoeken van de begeleidster licht opkrullen. “Gaat goed” denk ik bij mezelf als ik de arm van de vrouw onderzoek.

“Je bent toch wel een beetje bij de wekker vandaag hè?” vraagt de dame mij. Met “wat een hoop spreekwoorden gebruikt u mevrouw” verhul ik dat ik geen idee heb waar ze het over heeft. “Ken je die niet? Ze bedoelt of je een beetje uitgeslapen bent.” “O, nou, als ik in slaap val moet u me maar even wakker maken hoor.”

Haar vaatjes zijn heel zacht, iets wat best bijzonder is voor iemand op die leeftijd en ze rollen alle kanten op. Met “Ze rolle als een dolle hoor, die aderen van mij” verwoord de dame mijn gedachten. “Nou, dat geeft niet mevrouw, dan neem ik ze even in de houdgreep” zeg ik terwijl ik met twee vingers van mijn linkerhand haar vene fixeer. Een goedgemikt prikje levert het gewenste resultaat en er hoeven vandaag geen anestedinges aan te pas te komen om deze vrouw te prikken.

“Ow, gelukkig, het gaat in één keer goed” zegt de begeleidster. In mijn gedachten veeg ik het zweet van mijn voorhoofd. Mazzeltje, maar niks laten merken.

“Dat van dat koperen garen, is dat echt een spreekwoord?” vraag ik terwijl ik met één hand het kussentje op haar arm aandruk en met de andere hand mijn buisjes sticker. Dat laatste heeft wat oefening gekost, maar lukt inmiddels al aardig. “Ze bedoelt dat ie het buskruit niet uitgevonden had.” “Nee hoor, het is echt een uitdrukking” verdedigt de vrouw zichzelf. “Ze verzint ze waar je bij zit hoor” vult de begeleider aan.

De buisjes zitten gestickerd in een bekertje en ik plak het kussentje vast op de arm van de vrouw. “Zo, die arm zit weer vast.” Ze kan er om lachen. De begeleidster legt de jas van de patiënte op haar schoot en het komt zo hoog te liggen dat de dame er niet meer overheen kan kijken. Ik duw het een beetje naar beneden “Zo, anders hebben we straks een verkeersongeval, dat scheelt weer een ritje met de ambulance.” Mijn gebaar wordt gewaardeerd en de dames verlaten beide met een glimlach de prikcabine. Dat zie ik graag. Zeker bij een dame uit de tijd van de houten gulden.

 

 

Welkom

Voor ieder die het lezen wil, een kijkje in de keuken van de moderne geneeskunde. Met de grootst mogelijke zorgvuldigheid en respect naar iedereen die in dit blog voorkomt. En zodanig geschreven dat er geen persoonlijke informatie van patiënten, collega’s of andere personen in zal komen te staan.

Een paar jaar geleden begon ik mijn carrière in de geneeskunde op de afdeling bloedafname in een ziekenhuis. Dat inspireerde tot het beginnen aan de studie geneeskunde. Nu halverwege, en dus, hoewel de naam van het blog ander zou kunnen doen vermoeden nog geen dokter. Maar “davedieaanhetstuderenisomdoktertewordenendaareenblogoverwilschrijven.nl” was natuurlijk al bezet, dus vergeef mij deze kleine voorzet op de toekomst.

De eerste posts zullen kleine verhalen zijn over de mooie, ontroerende en soms spannende ontmoetingen die ik heb mogen meemaken op de twee vierkante meter van een prikcabine, of zittend op de rand van het bed bij het afnemen van een paar milliliter bloed. Zodra ik met mijn co-schappen mag beginnen ga ik mijn best doen om de dingen die ik daar mag meemaken op een mooie manier te delen.

Veel plezier op mijn blog.

(Bijna dokter) Dave.

Chinees

“Dit gaat hem even niet worden voor mij, wil jij even bij deze mevrouw kijken?”

Iedereen heeft wel eens een patiënt waarmee het gewoon niet klikt, of wel klikt maar niet lukt. Of je komt bij een patiënt die in een toestand is waar je niet prettig bij voelt. Dan is er altijd wel een collega die het graag even van je overneemt.

Ik begrijp snel waarom mijn collega zich een beetje ongemakkelijk moet hebben gevoeld bij deze dame. Aan haar naam was al te zien dat ze waarschijnlijk chinees is en haar uiterlijk en kleding bevestigen dat. Ze zit in een stoel naast haar bed en kijkt strak voor zich uit. Zo strak dat het een klein beetje ‘creepy’ overkomt. Goedemorgen mevrouw, ik kom even wat bloed afnemen voor het laboratorium….. Geen reactie…..

Als de vrouw mij aankijkt voelt het alsof ze dwars door mij heen kijkt. We zijn dan ook op de afdeling neurologie en daar kunnen mensen soms wat apart reageren. Het niveau van communiceren verplaatst zich dan van denken naar voelen. Normaal maak je een ‘praatje’ om een klein vertrouwensbandje op te bouwen. Nu is het meer je lichaamshouding die telt en de manier waarop je iemand aankijkt. Aandacht geeft. Of wat soms ook wel ‘je energie overbrengt’ genoemd wordt. Uiteindelijk is alle materie energie, zo ook wij mensen en hoewel we geen idee hebben waarom het ‘met de een’ wel werkt ‘en met de ander niet’ weten we wel dat het zo is. OK, we laten de quantum,- metafysica even over aan de Hawkins’s en Tolle’s voor nu, we hebben een prikopdracht.

Ik pak m’n spulletjes, leg die in mijn schoot en ga op een stoel tegenover de vrouw zitten. Als ik haar hand vastpak om haar mouw op te stropen voelt deze heel koud aan. “Mevrouw, wat een koude hand heeft u?” Als in een reflex pak ik haar linkerhand in mijn beide handen. Mijn handen zijn lekker warm, want ik heb de hele ochtend al geprikt en dan ben je flink met je handen bezig. Ineens beweegt ze haar rechterhand langzaam naar haar oog. Als ik kijk zie ik dat ze een traantje wegveegt. Over haar andere wang biggelt een traan langzaam naar beneden.

Ik pak de spulletjes uit mijn schoot en loop naar mijn prikbakje om er een paar kleine doekjes uit te halen die we normaal gebruiken om een arm te ontsmetten met alcohol. Ik pak er twee af en neem ze mee terug naar de oude Chinese dame.

Met een langzame beweging breng ik een doekje naar haar wang en veeg de traan weg. In haar rechterooghoek verschijnt ook weer een traantje die ik gelijk maar even wegveeg met hetzelfde doekje. Ik heb geen idee waarom deze mevrouw huilt, maar mijn gevoel zegt dat het helemaal niet verkeerd is om haar tranen weg te nemen met mijn doekje. Ik doe het langzaam en als ze het niet wil kan ze mij makkelijk tegenhouden. Ook al zegt ze niets, beweegt ze amper en is haar blik leeg, we zijn wel gewoon twee mensen in dezelfde wereld en deze dame heeft bijna 90 jaar ervaring met leven achter de rug. Ik zou graag een paar mooie verhalen van haar horen, maar dat zit er vandaag helaas niet in.

Het is moeilijk een adertje te vinden in de arm van de oude dame, dus uiteindelijk kies ik er maar voor om een wat dunne oppervlakkige ader in de bovenkant van haar onderarm aan te prikken. Met succes, het dunne naaldje laat een klein beetje bloed zien in zijn houdertje. Met perfecte timing komt mijn collega binnen die aanbiedt de buisjes te wisselen. Dat komt heel goed uit, want ik heb al mijn concentratie nodig om het naaldje in de goede positie te houden zodat het bloed niet stopt met stromen. Het loopt erg langzaam, maar met een beetje geduld lukt het prima.

Als mijn collega wegloopt met de gestickerde buisjes zie ik dat de ogen van de vrouw weer een klein beetje vochtig worden. Ik dep ze voorzichtig droog. Er zit een haar op haar neus. Die zal vast kriebelen, die veeg ik ook gelijk even weg. Voor de zekerheid leg ik nog een droog doekje vlakbij haar rechterhand zodat ze eventuele toekomstige tranen kan drogen. Hopelijk was het een traantje door het kleine beetje warmte dat ik haar heb kunnen geven. Dan was het een mooi traantje.